Matthijs de schilder

Tentoonstelling: Matthijs Maris, t/m 7 januari 2018 in het Rijksmuseum Amsterdam.

Matthijs Maris, De vlinders, 1874

Matthijs Maris is een echte sfeermaker. Kijk naar zijn duistere, omfloerste en broeierige voorstellingen waaruit een vroom geloof spreekt in een droomwereld, of naar zijn kluizenaarsbestaan vol tegenwerking en onvervuld idealisme. Al honderd jaar lang (hij leefde van 1839 tot 1917) spreken levensbeschrijvingen over zijn aanvankelijke afwijzing aan de Haagse kunstacademie, zijn botsingen met de kritiek en de kunsthandel, zijn onwil om nog voor ‘de markt’ te schilderen, zijn eenzelvige en onwillige leven in een verwaarloosd huisje in een Londense volksbuurt waar hij toch de leeftijd van achtenzeventig haalde. Dat spreekt tot de verbeelding. ‘Thijs Maris dwaalt; maar [mijn mening is] dat zijne dwaling schooner is en hem hooger heeft gevoerd, dan wie ook gekomen is van al degenen, die sinds de Renaissance zich op het pad bewogen, dat naar de Waarheid leidt.’ Dat schreef Lodewijk van Deyssel al in 1895 met de hem kenmerkende overdrijving, nadat hij samen met Jan Toorop een bezoek had gebracht aan ‘het uiterst armelijk kamertje, dat zijn atelier is, – maar dat, – is ‘et niet, – nog mooyer is dan een der delicieuse kapelletjes in de Westminster Abbey.’

Hoe komt de meest timide telg van het kunstenaarsgeslacht Maris aan deze bijzondere faam die hem nu een overzichtstentoonstelling in het Rijksmuseum en twee wetenschappelijke publicaties oplevert? De presentatie blijft helemaal in de stemming van Maris’ late werk: in grote zalen met donkere wandbekleding zijn de schilderijen en tekeningen in spaarzaam licht gevangen. De bezoeker kan hier dwalen als bevond hij zich in een spookslot in een bekend sprookjespark. En net als in veel sprookjes is de hoofdpersoon meestal een schone maagd en schrijft haar rol voor dat zij mooi is en zwijgt. Bij alle studie en commentaar die inmiddels voorhanden zijn is het des te wonderlijker dat je bepaalde observaties, waarvoor generlei studie nodig is, nergens tegenkomt.

Matthijs Maris is een schilder van jonge meisjes. Zeker heeft hij ook het silhouet van Lausanne geschilderd en een ophaalbrug in Amsterdam, maar stadsgezichten vervaardigde hij uitsluitend op bestelling van de handel. Als hij zijn voorkeur mocht volgen verscheen het lieve gezichtje van een meisje op het doek in de gedaante van een prinses, een keukenmeid, een spinster, een bosnimf, een slaapster met vlinders rond het hoofd of een in de nevel oplossende figuur met als bijschrift Extase. Er schuilt een hunkering in deze straf volgehouden thematiek, een ook alweer onvervuld verlangen want de schilder had nooit een vaste relatie met een vrouw en zover ik heb kunnen nalezen bezocht hij ze ook niet voor de duur van een dag of een uur. De meisjes van Maris zijn de uitdrukking van het verlangen zelf dat niet door reëel contact kon worden vervangen, evenmin als zijn verlangen schilder te zijn met commercieel succes kon worden gecompenseerd.

Ik vind het opmerkelijk dat de optelsom van tegenslagen in Maris’ leven nooit wordt herleid tot zijn eigen persoonlijkheid, terwijl de aanwijzingen daarvoor overvloedig zijn. Hij ‘kreeg veel kritiek te verduren’, kwam in Parijs ‘door oorlog en commune nauwelijks aan schilderen toe.’ ‘Zag zich genoodzaakt om schilderijen te vervaardigen die beantwoordden aan de smaak van de kunsthandelaren.’ De citaten komen uit de Rijksmuseumcatalogus Poëzie der werkelijkheid uit 2000 en ze zijn representatief voor de toon die kunsthistorici kiezen als het over Matthijs Maris gaat.

Ik geloof er niet in dat de omstandigheden speciaal hem dwars hebben gezeten. Hij was het zelf. Matthijs Maris weigerde consequent het leven te aanvaarden. Van de wieg tot aan de dood heeft hij zich laten verzorgen, altijd was er wel iemand die hem vergezelde op zijn reizen, hem in huis nam, een toelage bezorgde en een potje voor hem kookte. Toen hij alleen kwam te staan verzorgde hij zichzelf niet meer, ging de deur niet meer uit en werd een zonderling. Schilderijen verkopen beschouwde hij als een bezoedeling van zijn ideaal en daarom gaf hij zijn doeken net zo lief weg aan wie hem nabij was. Hij deed lang over iedere voorstelling en had tenslotte nog amper een reden om ze af te maken.

Het meest rake portret dat iemand van hem in woorden heeft gegeven kwam van Isabella Angus, de echtgenote van zijn beschermheer, die schreef: ’Thijs was always ten years old.’  Een prepuberaal kind dat niet op wilde groeien, een voorloper van Oscar Matzerath uit Die Blechtrommel. Dat kind heeft zich een leven lang vastgeklampt aan de droom van een levensgezel, een meisje dat alleen maar meisje hoefde te zijn en bij hem moest blijven. De trouw aan die wensdroom heeft Maris doen  vereenzamen. Zijn bereidheid daarmee te leven heeft hem buitendien de bewondering opgeleverd van menig kunstenaar en schrijver. Het stuk dat Van Deyssel over hem schreef drukt niets anders uit dan verlegenheid met de situatie. Van Deyssel had naar het bezoek uitgezien omdat het ‘een diep verlangen scheen te vervullen, dat met mijn eigen gemoedsleven naauw verbonden was.’ Maar in plaats van een bekentenis over zijn eigen kinderlijke aard, volgde een haastig excuus: ‘Maar ach, ik had te zeer verlangd en was te zeer gespannen en te touristisch gestemd. Het komt mij voor dat ik naauwlijks besef had van het ontwijdende en belachelijke van mijn min of meer restauratiebezoeker-achtig lichaam in min of meer waereldsche reisklederen.’

Precies zo voelt de hedendaagse bezoeker zich in de schemerige laat-negentiende-eeuwse burcht die wij Rijksmuseum noemen. Hier wordt een door en door romantisch beeld van het kunstenaarschap opgediend, niet voor niets gepland in de maanden waarin wij ons vermaken met een jutezak vol eenvoudige cadeaus of een door kinderstemmen gezongen lied bij een verlichte boom. Is ‘et niet? Bepaald ontnuchterend is het dan te zien dat de zaalteksten zijn verzorgd door de restauratie-afdeling (ik doel op een andere restauratie dan Van Deyssel) en spreken over droge verflagen en details die ooit te zien moeten zijn geweest en nu niet meer en al helemaal niet in het donker. Daar is de begeestering niet volledig doorgedrongen.

‘De lucht was zeer grijs en wat was het venster stoffig.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *