Wim Izaks (1950-1989)

Mensen om me heen

Zonder titel, 1978

Als ik Wim Izaks ooit in levenden lijve heb gezien, moet het in 1986 bij galerie De Ganzerik  in Eindhoven zijn geweest. Ik bezocht in die tijd veel tentoonstellingen, ook veel op een dag, om materiaal te verzamelen voor de wekelijkse rubriek Galerie in de NRC. Soms kon ik al enkele dagen voorafgaand aan de opening naar binnen. Het staat vast dat de expositie waar Wim Izaks vooral grote, gedeeltelijk met spraypaint bewerkte doeken liet zien, nog niet helemaal was ingericht. Ik vond er niet veel aan. Toch blijft het een raadsel waarom ik destijds de kunstenaar, als die zelf aanwezig was, niet zou hebben gesproken. Ik kende zijn werk, ik had bij galerie Flatland in Utrecht al eens uit een stapel gouaches op papier twee bladen gekozen om ze in mijn huis op te hangen.

Toen ik jaren later zonder enige aarzeling contact met Izaks wilde opnemen om hem te vragen mee te doen aan de expositie Onrust – mijn eerste in Museum De Wieger – bleek het bericht over zijn zelfgekozen dood niet tot de landelijke pers te zijn doorgedrongen. Mijn kansen om kennis te maken met deze schilder van een sterk wisselend oeuvre, iemand die bovendien in interviews blijk had gegeven van een verwarde denkwereld, waren verkeken.  

Ik had hem niet gekend en dus was het niet vreemd dat ik de ernst van zijn verwardheid heb misverstaan. Ik leefde misschien in de verkeerde veronderstelling dat mensen die op het beeldende vlak iets tot stand kunnen brengen dat nu en dan klinkt als een klok, hun leven goed op orde hebben. Ik schrok van wat ik op mijn zoektocht naar onrust tegenkwam. Dit ging niet over vorm, compositie of stijlopvatting. Hier was sprake van diepgewortelde, ongeneeslijke onrust, die in iets meer dan een decennium had geleid tot het duizelingwekkende aantal van zo’n duizend schilderijen en ontelbare werken op papier, hout, foto’s, stukjes schilderdoek, klei, schuurpapier en wat al niet meer. Daarbuiten was Wim Izaks een productief schrijver. Hij had graag willen debuteren als romancier, cultuurbeschouwer en schepper van egodocumenten, maar de kwaliteiten die daarvoor nodig waren zijn door niemand in hem herkend.

Voor mijn tentoonstelling koos ik een aantal kleine bloemencomposities, olieverf op triplex paneeltjes die afgaande op het grensoverschrijdende effect al voor het schilderen in een nuffig lijstje waren gevat. Het was niet het resultaat waar ik had gedacht op uit te zullen komen, al was ik er ook niet ontevreden over. Bij mijn pogingen grip te krijgen op dit oeuvre werd mij duidelijk dat er toen al, in 1992, weinig anders opzat dan Izaks’ grillige loopbaan stukje bij beetje te reconstrueren. Van zijn debuuttentoonstelling in Rijksmuseum Twenthe, direct na zijn afstuderen aan de AKI, was mij niets bekend, evenmin als van de reis van negen maanden door West-Afrika daaraan voorafgaand. De groepsexpositie die hem landelijke bekendheid zou bezorgen vond in 1978 plaats in het Stedelijk Museum in Amsterdam onder de titel Atelier 15. Hij werd daar gepresenteerd samen met negen anderen onder wie jongeren als Marlene Dumas, René Daniels, Andrew Lord en Ansuya Blom. Ook daar was ik niet bij en ik kan me niet herinneren dat deze namen destijds een gespreksonderwerp waren onder de studenten die in datzelfde jaar het tijdschrift Metropolis M startten. Het zou nog wel enkele jaren duren eer wij in de gaten kregen dat er in de nadagen van fundamentele schilderkunst, minimalisme, conceptualisme en performancekunst een nieuwe wind was opgestoken die voorlopig onder de verzamelnaam wilde schilderkunst werd geschaard.

Zo kon het gebeuren dat ik pas veel later ontdekte dat Izaks in die vroege jaren een serie schilderijen heeft gemaakt die over het hele oppervlak ruw, kleurrijk en krachtig geborsteld zijn. Ze hebben een enkele hoofdvorm, meestal een personage dat opdoemt uit de dik geschilderde achtergrond. Het meest bijzonder aan deze doeken is de werking van het licht dat van achteruit lijkt de komen, alsof zich daar een sterke lichtbron bevindt die het motief op de voorgrond als een krans omringt of er zelfs doorheen schijnt.   

Voor Wim Izaks moet dit een geweldige doorbraak zijn geweest. Wat hij in zijn academiejaren tussen 1973 en 1977 schilderde was altijd figuratief en ronduit onbeholpen. Hij is vast niet tot de AKI toegelaten om zijn aangeboren tekentalent. Het enige wat we kennen van voor die tijd, toen hij eerst een opleiding elektrotechniek deed en daarna begon aan de vroegste vorm van informatica-onderwijs, zijn kleine, precies geschilderde surrealistische voorstellingen. Geen mensen, geen beweging, alleen de brave, onwaarschijnlijke ontmoeting van ongelijksoortige voorwerpen in een onbestemd landschap.

Zonder titel, 1979

Tijdens zijn academiejaren moest Izaks zich een handschrift in verf eigen maken. Over de onderwerpkeuze maakte hij zich niet druk. Hij schilderde zichzelf en zijn directe omgeving, stenen aan de waterkant of het gezicht op een dorp met een boven de bosschages uitstekende kerktoren. Het was in alle opzichten ongeschoold werk en het had geen enkele relatie met wat destijds voor hedendaagse kunst doorging. De voorstelling ontstond door te tekenen met verf, zonder vormgevoel, kennis van anatomie, perspectief of compositie. Je mist er eigenlijk alles wat een kunstwerk nodig heeft om te kunnen slagen. Dat lijkt een treurige vaststelling. Maar als hij zo verstandig was geweest deze vroege productie tijdig te vernietigen, wat een legitieme en begrijpelijke ingreep zou zijn, dan was mijn verhaal anders begonnen. Op het gebied van academische vaardigheden had een student aan de AKI niet veel te leren. Maar of het aan zijn docenten lag, zoals Alphons Freymuth die zeker van invloed op zijn ontwikkeling is geweest, of dat deze jaren op een indirecte manier hun vormende werk hebben gedaan, zeker is dat Izaks er anders uitkwam dan hij erin was gestapt. Van zijn reis door Afrika, rondtrekkend in een oude Volkswagenbus, maakte hij een verslag dat hij illustreerde met kleine linosneden. Hij tekende de mensen die hij tegenkwam, de markt, een in doeken gewikkelde man op straat, vrouwen op weg met manden. Hij leefde en at met hen, maakte talloze foto’s, en moest uiteindelijk zelf vanwege de honger zijn reis afbreken. De verkoop van zijn auto leverde het geld op voor een vliegticket vanaf Dakar.

Over de inwerking van zijn Afrikaanse ervaringen op zijn kijk op het leven en de kunst kan alleen maar worden gespeculeerd. Mij lijkt het waarschijnlijk dat allerlei figuren die hij later zou tekenen en schilderen, half mens en half dier, en de maskers die hij boetseerde, terug te voeren zijn op het geloof in geesten en demonen dat hij daar heeft leren kennen. Uit de titels en symbolen die hij met zijn werk verbond, zoals het licht, de zon en in het laatste jaar van zijn leven het begrip vrede, spreekt ook een vorm van animisme. Ik veronderstel dat de eerste verbeelding daarvan de vorm kreeg van een geheimzinnig stralend licht in die vroege schilderijen. Ik noem ze een overwinning omdat de boodschap niet wordt getekend en naverteld, maar in een persoonlijke schildertrant opgenomen.

Het is vreemd dat ik nooit een recensie heb gezien die juist op dit aspect ingaat. Misschien kwam de stap naar een ander soort figuratie te snel om er een blijvende indruk mee te maken. Spijtig genoeg, zou ik zeggen, want de kwaliteit van die vroege doeken is hoog. Vorm en inhoud smelten samen in een trefzeker gebaar, nog versterkt door het effect van de kleur.

Een andere reden waarom deze doeken niet op waarde zijn geschat is wellicht dat Izaks dure verf durfde te verspillen aan illustratieve, comics-achtige voorstellingen. Als ik zie wat het Amsterdamse Stedelijk van hem aankocht, een voorstelling genaamd Elisabeth uit 1977 die een vrouw en profil voor een dubbel raam toont, dan bekruipt mij het vermoeden dat het museum jeugdig elan liet prevaleren boven schilderkunstige kwaliteit.   

Gedurende zijn korte loopbaan heeft Wim Izaks verschillende stijlperiodes doorgemaakt, allemaal met zeer wisselvallige resultaten. Hij werkte impulsief en snel, vergat dikwijls tijdens het schilderen wat hem voor ogen had gestaan en stapelde lijn op lijn, motief op motief, verf op verf, tot er iets overbleef dat typisch Wim Izaks was, maar niet per se helder.

Zonder titel, olieverf op papier

Uit al zijn geslaagde werken, en dat zijn er in een oeuvre van zo’n tienduizend nummers toch aardig wat, spreekt wat ik noem een beeldende intelligentie. Daarin kon Izaks het zich permitteren schijnbaar doelloos met zijn materialen aan de slag te gaan. Schijnbaar doelloos, want voor wat je ziet zou je geen plan kunnen uittekenen en toch is er toegewerkt naar een evenwicht van gebaar, kleuraccenten, raadselachtige aanwijzingen en doorhalingen. Izaks ontwikkelde een rudimentaire beeldtaal van voorwerpen die je als het leesplankje van zijn binnenwereld zou kunnen zien: sleutel, auto, cijfers en letters, schilderdoek op ezel, naakt op bed, voetbal, kerktoren, zon, maan, man met schop, voetenbadje. Waar deze symbolen in een verhalende context worden opgenomen ontvouwt zich de wereld waarin de kunstenaar zelf leefde. De schilder is hij zelf, het naakt op bed zijn vriendin, de man met schop zijn vader die hovenier was, de vrouw aan het fornuis, bij de strijkplank of met haar voeten in een teiltje, zijn moeder. De tekeningen, vooral die in potlood, geven meer details prijs. Daarin figureert een jongetje in de schoolbanken dat ineenkrimpt onder het verbale geweld van een kenau voor de klas. Een jochie met een voetbal in afwachting van een speelkameraad. Een man die sleutelt aan auto’s, een figuur op rolschaatsen, een hoofd dat de dampen uit een lijmpot opsnuift. Deze kinderlijke, goeddeels onschuldige omgeving vindt een keerzijde in voorstellingen van geweld en seks, een meisje dat bloedend op de grond ligt, een mes, een tampon, een jongen die zich van het leven berooft door de loop van een geweer in zijn mond te nemen en met zijn voeten de trekker over te halen. Deze laatste voorstelling, die hij ook op indrukwekkende en bijna komische wijze heeft geschilderd, is niet een vooraankondiging van hoe Izaks zelf uit het leven zou stappen. Ze is wel het bewijs dat het onderwerp hem bezighield.

zonder titel, kleurpotlood

Als je Wim Izaks als kunstenaar moest typeren, dan was hij meer tekenaar dan schilder. Hij heeft mooie en aangrijpende schilderijen gemaakt. Maar hij was teveel een verteller om zich enkel op kleur en vlak te verlaten. Hij bleef tekenen met verf en verloor dan vaak de grip op de voorstelling. Veelzeggend is dat als hij in een doek iets miste wat hij eigenlijk had willen zeggen, hij het erbij schreef, een woord van verf. Daaruit spreekt onmacht.

Izaks was op zijn best als hij zich kon beperken tot een meer grafische benadering. Hij was een meester in het werken met afgebakende kleurvlakken. Zijn oeuvre bestaat voor een groot deel uit linosneden die een wonder van eenvoud en vlakverdeling zijn, ook als ze een ruimtelijke situatie voorstellen. Hij heeft ook veel geschilderd op papier en op schuurpapier, waarin hij de figuratie tekende uit de vrije hand. Dat levert een primitieve herkenbaarheid op van vreemd gevormde figuren die als personages in een stripverhaal niet zouden misstaan. In de compositie van zulke bladen houden weergeven en weglaten elkaar in balans.

Was Izaks schrijver geweest, dan zouden we zijn oeuvre rangschikken onder de bekentenisliteratuur. Hij beschreef steeds maar weer wat zijn ogen zagen, wat zijn geheugen niet los kon laten en wat zijn gemoedsrust bedreigde. Hij had het er heel druk mee, vaak kon hij niet stoppen met werken en dan bekraste hij dwangmatig alle honderd vellen van een groot tekenblok met zwart krijt. Kon hij zich bedwingen, dan tekende hij de beelden uit die hem voor de ogen zweefden in een kinderlijk idioom dat tegelijkertijd poëtisch was, hard realistisch en toch ook speels. Bij nadere bestudering wordt duidelijk dat geen kind zulke beelden zou kunnen maken. Izaks had veel kenmerken van de outsider in de kunst. Met zijn vermogen dicht bij zijn verbeeldingswereld te blijven en vrijwel te vergeten wat docenten en de kunstwereld hem voorschreven, moet hij de ideale oud-student van de Enschedese kunstacademie zijn geweest.

Hij had geen modieuze golf van wilde schilderkunst nodig om zijn koers uit te zetten. Voor hem was er geen andere keuze dan deze. Dat wil niet zeggen dat hij geen inspiratie putte uit de kunstgeschiedenis. Zijn bronnen lagen waar niemand hem mee associeerde: in het symboolzwangere werk van Wassily Kandinsky en Kazimir Malevich, op het snijvlak van surrealisme, constructivisme en suprematisme. Hoe spontaan en ongecontroleerd zijn tekeningen en schilderingen, vooral die op papier, ook tot stand leken te komen, heel frequent komen er rechte lijnen in voor, zware (en dikwijls zwarte) vierkanten of andere geometrische figuren, balancerende balken, zwevende ballen en rasters van lijnen. Zonder zich volledig te bekennen tot die vormentaal, gebruikte hij ze als decor van zijn autobiografische oeuvre.

Hij wilde wel kunstenaar zijn. Hij zei er vaak dingen over omdat hij dacht dat dat van hem werd verwacht. Zijn verbeelding, die drukbevolkt was met iedereen die een rol in zijn leven had gespeeld of die hij op straat dan wel voor zijn geestesoog had zien passeren, belette hem het maken van kunst als een beroep te zien. In een kranteninterview kondigde hij ooit aan dat hij over enkele jaren een eigen stijl zou gaan ontwikkelen. Je zou erom lachen als het niet tragisch was. Hij had een eigen stijl, in elk geval als de snelheidsmeter van zijn verbeelding niet honderd kilometer per uur aanwees. Zijn kunst getuigt van wie hij ooit was, en van wie hij wilde zijn, tussen de mensen om hem heen.

‘Wanneer de zon een cirkel is,

Een cirkel in een cirkel is van vuur,

op dat uur

heb ik mensen om me heen.

Nee ik ben niet alleen, nee niet alleen.’

(uit: Lennaert Nijgh, Mensen om me heen)

Zonder titel, potlood en krijt

Historisch Museum De Scheper in Eibergen wijdt een expositie aan Wim Izaks die ook als titel heeft: Mensen om me heen. De expositie is te zien van 2 december 2020 tot en met 27 februari 2021.

Op de site van Museum De Scheper is een digitale rondleiding door de tentoonstelling te zien, met daarin een korte documentaire over zijn leven.

2 gedachten over “Wim Izaks (1950-1989)”

  1. Rob, met veel belangstelling je verhaal over Wim Izaks gelezen.
    Wat een uitputtingsslag moet zijn leven zijn geweest en wat mooi en treffend heb jij dat kunstzinnige en innerlijke leven getypeerd, dank daarvoor !
    Met deze bagage ga ik spoedig naar Eibergen om zijn werk met eigen ogen te kunnen zien.
    Gr. Frans Rentink

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *