Tentoonstelling: Doorzicht, over transparantie in de kunst. Bergkerk Deventer, 8 februari t/m 22 maart 2026. Met werk van Kris van Dessel, Robbert de Goede, Frank Halmans, Jose Heerkens, Krijn de Koning, Jurriaan Molenaar, Marc Nagtzaam, Frank Oude Weernink, Benjamin Roth, Eduard Wind en Niko de Wit. Zie ook: www.bergkerkdeventer.nl.

Architecten en kunstenaars kennen als geen ander de waarde van transparantie. Een huis bouwen is een manier om je af te sluiten van weersomstandigheden – en van anderen. Het is van levensbelang daar gaten in te prikken in de vorm van deuren en ramen om het contact met buiten te herstellen. Schilders die een doek met verf bewerken hebben evenmin de wens er een gesloten oppervlak van te maken. Ze willen juist een wereld openleggen door diepte te suggereren, en dat kan op veel manieren. Ook beeldhouwers zijn vaak langer bezig met het bepalen hoe ze een volume open kunnen leggen, dan met de omtrekvorm. Ruimte is in al deze gevallen het sleutelwoord. Het gaat niet om baksteen, doek, verf, hout of metaal. Steeds gaat het om de wereld die daarin of daarachter ligt. Soms letterlijk: het werk biedt uitzicht op iets in de verte. En altijd figuurlijk: niet voor niets vragen we de kunstenaar voortdurend wat hij heeft willen zeggen. Het ding zelf is de drager van de boodschap. De boodschap zelf, als we dat banale woord willen gebruiken, zweeft in de ruimte rondom, is dikwijls moeilijk te vatten en voor meerdere uitleg vatbaar.
Transparantie, het gegeven dat we door iets heen kunnen kijken, is een wezenlijk aspect van de kunst. Hoe gelaagd dat begrip is blijkt pas wanneer je probeert er een thematische tentoonstelling omheen te bouwen. In principe zou alle kunst ervoor in aanmerking komen. Effectiever is het kiezen voor werk waarin de doorzichtigheid op een bijzondere manier aan het licht komt. Dat is hier gebeurd, niet eenmaal maar in elfvoud. Bij elkaar vormen deze oeuvres een waaier van benaderingen die elkaar aanvullen.
Even leek het, tijdens de voorbereidingen, dat de nadruk sterk zou komen liggen op abstracte kunst. Maar waarom zou dat moeten? Daarna verschoof het beeld in de richting van architectonische vormen. Niet verbazingwekkend, want een venster op de wereld heeft een omlijsting nodig. Toch moeten we niet vergeten dat hier het kijken zelf centraal staat. Wat zien we daar in de verte, wat ligt er achter de oppervlakkige werkelijkheid? Hoe bouw je als kunstenaar een verwachting op, welke hints geef je? Het bieden van een doorkijkje behoort ook tot de middelen om de kijker te verleiden. Hoeveel spannender zijn niet de kier en het sleutelgat in vergelijking met de gordijnen helemaal open? Of de nylonkous en de doorkijkblouse tegenover het naturisme?

De tentoonstelling verwijst overal naar de wereld om ons heen en hoe we die waarnemen. Naar licht, ruimte, architectuur, landschap. Bij alle werken, hoe verschillend in uiterlijk ook, stel je je de vraag hoe je jezelf fysiek verhoudt tot de ruimte die daar ontstaat. Vanzelf wordt ook de blik geopend op de Bergkerk waar licht en transparantie zo’n belangrijke rol spelen in het ervaren van de ruimte.
Het is nu wel voldoende beargumenteerd dat er, bij het kijken naar kunst, een dimensie is achter of in het kunstwerk, een diepere laag, een vergezicht. Misschien is dat inmiddels, excusez le mot, een open deur. Terug nu naar het ding zelf, het werkstuk waaraan de kunstenaar zijn uren in het atelier heeft besteed. Wetend hoe belangrijk doorzicht is, komt er een bijzondere gevoeligheid naar boven als het gaat om materiaalgebruik. We zien lijnen van potlood, verf en draad. Volièregaas. Papier waarin geknipt is. En ook verf op doek, hout, gipsplaat, brons en staal. Wat opvalt is de intensiteit en de precisie waarmee ze zijn bewerkt. Geen moeite was de kunstenaars teveel om die stoffen tot spreken te brengen. Dikwijls lijkt het er zelfs op dat ze zich doelbewust monnikenwerk op de hals hebben gehaald. Hier gaat het zonneklaar niet alleen over wat ze hadden willen zeggen, alles hangt af van de manier waarop.
Elf kunstenaars en minstens evenveel ambachten. Er is veel om je in te verdiepen, en de eindeloze mogelijkheden tot vergelijken en afwisselen maken het kijkspel compleet. Soms lijkt het of de een de draad oppakt waar de ander hem laat liggen, door een ruimtelijke illusie driedimensionaal te maken, door een scherpe diagonaal in een andere techniek een nieuwe betekenis te geven, door te spelen met contouren. Dat woord spelen komt steeds naar boven, ondanks de nauwgezetheid die ze zichzelf hebben opgelegd. Een spel met wat hen, misschien ook ons, opvalt, met licht en schaduw, met eenvoud en complexiteit. De weg naar het resultaat mag vol voetangels en klemmen zitten, het werk dat wij te zien krijgen straalt een achteloosheid uit die het raadsel vergroot. Dat geldt voor degenen die de nadruk leggen op ruimte en doorzicht, en evenzeer voor hun vakgenoten die het maakproces zelf transparant willen maken. Ruimte suggereren in een kunstwerk staat gelijk aan een illusie oproepen. Met het inzichtelijk maken van hoe iets tot stand komt, zou je verwachten dat de illusie verdwijnt. Maar zo is het niet. De uitspraak ‘Je ziet het pas als je het doorhebt’, mag in de prullenbak. Deze kunst kan honderd maal worden bekeken en telkens opnieuw verwondering oproepen, zonder dat de betovering wordt verbroken.











