een nieuw gezicht

Kennismaking met Raafat Ballan

Tijdens Art Rotterdam maakte ik kennis met de jonge Syrische kunstenaar Raafat Ballan. Hij had een twaalftal schilderijtjes hangen in een stand die was ingericht door het kunstenaarsinitiatief Tijdelijk Museum in Amsterdam. Met het werk van zijn mede-exposanten vertoonde zijn werk geen overeenkomsten. Eerder, op de locatie van Tijdelijk Museum in de voormalige Bijlmerbajes, had dezelfde groep met elkaar samengewerkt  op uitnodiging van kunstenaar Maze de Boer. Het toeval bracht hen samen: De Boer heeft eenvoudig geïnformeerd bij het aanpalende asielzoekerscentrum of er onder de bewoners beeldend kunstenaars waren. Het bleken er vier te zijn, met een zeer uiteenlopende achtergrond en werkwijze. Op Art Rotterdam besloten zij elk hun eigen werk te presenteren, wat een prettig uit de toon vallende stand opleverde.

Ik sprak met Ballan, kocht van hem een kleine, op papier geschilderde voorstelling van een liggende mansfiguur in bed en maakte de afspraak dat ik bij hem langs zou komen. De serie die ik had gezien, had de ruige penseelvoering van Breitner en de intimiteit van de jonge Vuillard. Mooie aanknopingspunten, maar totaal onverwacht bij een jongeman die in 1990 werd geboren in Swaida in het zuidwesten van Syrië. Hij stamt uit een kunstenaarsfamilie en volgde in Damascus de academie. In 2014 studeerde hij af en verliet daarna het land. Via Istanbul reisde hij naar Nederland, waar hij inmiddels een verblijfsstatus heeft. Hij vertelde me dat de kunstopvatting op de academie in Damascus westers is, dat wil zeggen gericht op een realistische uitbeelding van de wereld. Er wordt veel naar figuur getekend en geschilderd, maar werken naar naaktmodel is er niet toegestaan. Kennis van Breitner of Vuillard deed Ballan er niet op. Hij heeft er zijn eigen thematiek ontwikkeld, eigenlijk meer gericht op gezichtsuitdrukking dan op figuren ten voeten uit. In zijn eindexamenpresentatie liet hij zestig gefingeerde portretten zien, in paren waarbij de ene variant sterk van kleur was en de andere grijs en flets. Hij toonde me enkele exemplaren die hij later door een kennis mee heeft laten brengen naar Amsterdam. Zijn verfopbreng was ook toen al vlekkerig, de kleuren dansen zo’n beetje om de met frivole krabbels aangegeven ogen en mond heen.

Ballan is een productieve, rusteloze schilder en tekenaar, wat samen met de lichtvoetigheid die hij in zich heeft aanstekelijk werkt. Het is moeilijk te zien hoe de oorlogsjaren tijdens zijn academietijd en de daaropvolgende verhuizing en het uitzien naar een nieuw thuisland sporen in zijn werk nagelaten hebben. Toen ik op zijn site een tekst vond die wel een directe link legt (‘Ballans work draws us into reflections about the inhuman states of mind in which big parts of the world’s population, struggling under the crimes of repressive regimes and warfare is having to put up with.’) vroeg ik me af of ik iets over het hoofd had gezien, maar Ballan legde me uit dat die tekst is geschreven voor een specifieke tentoonstelling. Hij zou niet willen dat zo’n formulering de interpretatie van al zijn schilderijen gaat beïnvloeden. Hij wil niet de verdrevene blijven of de emigrant. De jaren waarin dit zich afspeelde, zegt hij, beschouw ik als een periode in mijn leven zoals de tijd toen ik als kind mijn been had gebroken.

Waar gaat zijn werk wel over? In zijn eigen woorden, de twee gezichten die ieder mens eigen zijn. Het publieke, het gezicht in de plooi dat iemand opzet wanneer hij of zij met een ander in gesprek is, en het andere, introverte, wanneer dezelfde persoon zich onbespied waant. Ballan legt zich toe op dat tweede gezicht, waarmee hij zichzelf voor een paradoxale opdracht stelt want als hij zijn modellen in hun teruggetrokkenheid kon zien waren ze niet onbespied. Hij zoekt dus naar een gezichtsexpressie die iets heeft van beide, het bekende en het onbekende. Het zelfverzekerde en het labiele, zou ik daaraan toe willen voegen, want veel van zijn tronies hebben iets onregelmatigs, lijken opgejaagd, maskerachtig of gedeformeerd.

Wat mij fascineert in hem is zijn onverstoorbaarheid. Ballan werkt in series en houdt ervan af te maken waar hij aan begint. Daar spelen de omstandigheden hem wel degelijk parten want voor zijn gevoel kon hij zijn eindexamenthema niet afmaken, reden waarom hij probeert dat nu alsnog te doen. Dat verklaart zijn tot nu toe smalle basis, met voornamelijk frontale, starende gezichten in wisselende staat van voltooidheid. Als je bedenkt dat hij lange tijd niet de middelen had om te schilderen en zich behielp met een verfdoosje en een stapeltje zwart papier met het formaat van een half A4-tje, dan komt zijn doorzettingsvermogen scherper naar voren. Het is in een oogwenk duidelijk dat al zijn werk studie is, een klein stapje in een lang proces dat nooit af zal zijn. Dat betaalt zich niet uit in louter hoogtepunten. Het bevindt zich nu nog teveel in het stadium waar de grens tussen trefzeker en niet gelukt moeilijk te trekken is. Toch zit in elke voorstelling wel iets dat blijft haken in mijn geheugen. Een vonkje dat doet denken aan het portret dat Constant ooit maakte van Mathilde Visser, een hint naar de portretten van Jean Rustin, een knipoog naar de Bloody Heads van de merkwaardige kunstenaar Llyn Foulkes. En niets daarvan is overgenomen of zelfs maar een bewuste verwijzing. Ballan haalt alles uit zijn manier van kijken en alles moet uit zijn eigen vingers komen.

We gaan hem ontmoeten in mei aanstaande. Hij is een van de nieuwkomers die door Arnon Grunberg zijn gevraagd een maand lang het Stedelijk over te nemen in het project Give Us the Museum. Raafat Ballan zal er schilderen en er misschien ook als suppoost of in een andere dienende rol aanwezig zijn. Het leidt af van zijn werk, maar het opent ook deuren. En dan terug naar het atelier, een eigen atelier tegen die tijd, want het werk moet door.

Eén gedachte over “een nieuw gezicht”

  1. Het schilderij (op doek of papier, gouache of aquarel?) is intrigerend. Niet passend in het westerse beeld van de kunst. Tussen abstractie en realisme of tussen menselijk en individueel. Welk criterium moet je als criticus hierop toepassen? Het doet me denken aan de Fauves, meer Vlaminck dan Matisse. Ik mis context: tijdgenoten, verwantschappen. De “onverstoorbaarheid” en “wisselende staat” brengen me niet tot een oplossing. ’t Is wachten tot mei in het Stedelijk van Amsterdam. Erik Slagter

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *