De canon herbekijken

Tentoonstelling: Het museum van de eigenzin en andere exposities, t/m 12 november 2017 in MuZEE, Oostende.

Frans Masereel, Matroos op de ellebogen leunend, 1929

Als ik in Oostende ben, bezoek ik het plaatselijke (of eigenlijk provinciale) museum dat vroeger PMMK heette en tegenwoordig MuZEE. In een necrologie van Willy Van Den Bussche, die er lange tijd directeur was en Permeke als de grootste moderne kunstenaar beschouwde (hij overleed in 2013), wordt opgemerkt dat hij de zalen in het vroegere vakbondswarenhuis zo goed als mogelijk wist te gebruiken. Het kon toch beter want de huidige directeur Philip Van Den Bossche weet in die naargeestige ruimtes een veel aangenamer klimaat te scheppen dan zijn voorganger. Een bezoek aan de lopende tentoonstelling over Ensor en Spilliaert vond ik ondanks het gebrek aan daglicht ronduit plezierig. Gevarieerd, speels, met een goede afwisseling van schilderijen en tekeningen en kleine schetsjes en archiefmateriaal in vitrines. Wat de frutsels van Richard Tuttle doen tussen deze twee Oostendse grootheden is mij een raadsel. De naam Tuttle had bij mij altijd een sympathieke klank vanwege zijn onpretentieuze, schijnbaar door het toeval bepaalde vormentaal. Hij schijnt aardige dingen gezegd te hebben over het kleurgebruik van Ensor, maar de verfrommelde schilderdoekjes die hij ernaast hangt zijn inwisselbaar en krachteloos.

Van Den Bossche overlaadt de bezoeker met exposities, liever dan terug te vallen op geijkte collectiepresentaties. Wel zoekt hij steeds naar verbanden met zijn eigen museum. Het levert niet altijd een natuurlijke match op. Een expositie van Frans Masereel (nu helaas afgelopen) was aanleiding om er werk van hedendaagse kunstenaars bij te zoeken die ook ‘verzet in beelden’ plegen, zoals de ondertitel luidde. Dat is een interessante invalshoek. Een grafische beeldtaal in zwartwit, zoals de houtsnede die Masereel meestal toepaste, heeft het voordeel van een grote verstaanbaarheid en een grote verspreiding door de reproductietechniek. Dat komt in tijden van oorlog en onderdrukking, wanneer verzet het hardst nodig is, heel goed van pas. Het zou boeiend zijn te onderzoeken hoe het stripverhaal en daaraan verwante genres zoals grafiekseries worden ingezet als underground press. In elk geval is het terecht Masereel als voorloper aan te merken. Maar de expositie in Oostende liet het bij een overzicht van Masereel, inclusief schilderijen die dikwijls prachtige sfeertekeningen zijn van uitzichtloze situaties, aangevuld met wat losse werken van kunstenaars die niet in series en in oplage werken. Van hen maakte William Kentridge, vertegenwoordigd met de animatiefilm Second Reading uit 2010, het meeste indruk. Maar Kentridge is geen underground artiest en zijn vorm van verzet is te individueel om ingezet te kunnen worden in een maatschappelijke strijd.

Nog steeds te zien is de tentoonstelling op de bovenverdieping van MuZEE: het museum van de eigenzin, waarin kunst van ongeschoolde kunstenaars en mensen met psychiatrische problemen wordt getoond naast kunst die gewoon kunst heet. Het museum probeert de term outsiders te vermijden, omdat, zoals kunstenaar en psychiater Erik Thijs treffend schrijft, ‘outsiders insiders nodig hebben om hun werk te interpreteren, te propageren, te publiceren, te exposeren, te commercialiseren en soms ook te imiteren.’ Het is de vraag of daarin een wezenlijk verschil ligt met de professionele kunstenaars van nu. Bovendien waren ook hier vijf gastcuratoren nodig om werk te selecteren uit een aantal werkplaatsen en collecties, voor een presentatie die voor het overige niet wil sturen, interpreteren of waarderen. De kijker is nu aan zet.

In zekere zin word ik hier op mijn wenken bediend, want ik heb ooit in het tijdschrift Jong Holland gepleit voor het zonder vooroordeel naast elkaar tonen van alle soorten kunst. ‘Het wordt tijd dat we goed werk met een naïeve of outsider-achtergrond gaan beschouwen als goede kunst zonder meer.’, schreef ik toen. (‘De schilder in zijn stille wereld. De kloof tussen de moderne kunst en kunst in de marge’, Jong Holland 2006, nr.1, 22-29)  Dat vind ik nog steeds. En toch voelde ik me heel ongemakkelijk in MuZEE. Ik kon er eigenlijk niets mee aanvangen, zo structuurloos als de expositie is ingericht. Eigenlijk vraagt het museum van de kijker bij elk volgend werk zich onbevangen te verplaatsen in een compleet nieuwe verbeeldingswereld. Dat is een onmogelijke opgave. In het begeleidende tekstboekje stelt Van Den Bossche al in zijn inleiding de vraag: ‘Wat als we een nieuwe taal ontwikkelen bij elke nieuwe ontmoeting?’ Het antwoord is, vrees ik, dat dat het einde van alle communicatie zou zijn. Taal en beeld hebben betekenis wanneer ze in een gemeenschap gedeeld kunnen worden. Zo ontstaan kunstwerken, zo kunnen ze begrepen worden. De veronderstelling dat het schokeffect van een nieuwe taal in elk tentoongesteld werk verfrissend werkt, zal snel worden gelogenstraft en ik vraag me af wie er bij baat bij zou hebben.

Een tentoonstelling is een bloemlezing van kunstwerken en als geheel een groter verhaal dat individuele bijdragen incorporeert. Wat er wordt geëxposeerd maakt niet eens zoveel uit. Iemand moet de regie nemen en verbanden leggen, een route uitstippelen, suggesties doen. En wanneer er geen directe verbanden zijn tussen de deelnemers is er nog de mogelijkheid ieder van hen zoveel ruimte te gunnen dat hun eigen verhaal of taal zich kan ontvouwen in kleine solopresentaties. In MuZEE is voor geen van beiden gekozen. De boodschap is dat alle getoonde werken gelijk zijn in zeggingskracht. Dat is een stelling die niet bewezen of gefalsifieerd kan worden. Maar wanneer je kunst van allerlei afkomst zonder enige vorm van hiërarchie of thematiek naast elkaar plaatst ontstaat een vorm van gelijkschakeling die vooral onverschilligheid opwekt. Dat is wat er gebeurt in deze expositie.

Van Den Bossche en zijn gastcuratoren geven inzicht in hun manier van denken in korte teksten die allemaal hameren op de therapeutische waarde van creativiteit en de hechte verwantschap tussen kunst van professionals en van amateurs. ‘Er is dus geen wezenlijke grens te trekken tussen de outsiders en de insiders van de kunst én de psychiatrie, zij zijn – soms ook letterlijk – nauwe verwanten.’, schrijft Erik Thijs. ‘Creativiteit heeft soms nood aan beperking en beperking leidt veelal tot creativiteit.’, aldus Peter Defurne. Hij zegt ook: ‘Vanuit het artistieke moet er vooral een persoonlijk proces ontstaan, authentiek en individueel gemotiveerd, ongeacht of het een kunstenaar met of zonder enige beperking betreft. Binnen deze context staat de expressie centraal en is de insider-outsiderrelatie minder relevant.’

De geschiedenis herhaalt zich: net als in de jaren zestig van de vorige eeuw worden de begrippen scholing en kwaliteit tot taboe verklaard. Kunst wordt gereduceerd tot een uiting van creativiteit en expressie, twee woorden die weinig betekenen en die buiten de therapeutische context nauwelijks een rol spelen. Door te suggereren dat ieder mens met een beetje begeleiding op gelijke hoogte kan komen met de kunstenaar wordt niet zozeer een grote groep op het podium gehesen als wel een kleine groep specialisten van hun voetstuk getrokken. Dat is uiteindelijk ook het doel van deze operatie: een elite die is grootgebracht binnen een ‘goedgekeurde kunstgeschiedenis’ van hun positie beroven, en het museum te ‘dekoloniseren’. Ik weet niet wat dit laatste betekent maar Van Den Bossche en zijn Eindhovense collega Charles Esche zijn er druk mee.

‘Is een oude zelfprojectie en exclusieve kijk op de Belgische kunst in een louter Europese context nog wel vol te houden? Moeten we deze canon niet eens herbekijken?’, vraagt Van Den Bossche zich af. Het past bij deze tijd en wie weet bij elke tijd om deze vragen te stellen. Jazeker, de canon moet ter discussie worden gesteld, veranderd, verruimd. Intussen is het raadzaam het bestaande te blijven beoordelen op de artistieke kwaliteiten en de beperkingen van wie toevallig in een Belgische of Europese context is opgegroeid en daaraan zijn verhalen ontleent, liefdevol mee te wegen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.