Hans Hofmann en Fernand Léger

Tentoonstellingen: Hans Hofmann, Creation in Form and Color, t/m 14 januari 2018 in Musée National d’Histoire et d’Art, Luxemburg, en Fernand Léger, Le beau est partout, tot 31 oktober 2017 in Centre Pompidou Metz en van 9 februari t/m 3 juni 2018 in Palais des Beaux Arts, Brussel.  

Fernand Leger, Les Disques, 1918

Ik ging naar Metz om Léger te zien en stopte onderweg in Luxemburg. Over het museum voor moderne kunst MUDAM zou veel te zeggen zijn, maar dat wil ik uitstellen omdat ik na mijn bezoek daar in de binnenstad het Nationaal Museum voor Geschiedenis en Kunst passeerde waar een tentoonstelling loopt van Hans Hofmann. Het kunstenaarschap van Hofmann staat in de schaduw van zijn faam als de stichter van een kunstopleiding, eerst in München en na zijn vertrek naar de Verenigde Staten in New York. In Amerika geldt hij als de grondlegger van het abstract-expressionisme door een combinatie van zijn eigen werk, zijn kunstopvatting en de invloed die ervan uitging op kunstenaars en critici.

Ik stond verbaasd over zijn werk. Het kostte me even tijd om te wennen aan het nonchalante, het onaffe, het werken op goed geluk. Maar hoe langer ik er rond liep, hoe beter alles op zijn plaats viel. Met het verstrijken van de jaren – de expositie is chronologisch ingericht – kwamen ook de bijzondere kwaliteiten van het late werk in beeld, geschilderd na het tachtigste levensjaar. Het vroege werk, van voor 1935, is helemaal afwezig. Hofmann lijkt veel meegekregen te hebben van Kandinsky, hij werd bekend met drukke composities waarin een ternauwernood herkenbare vloeiende lijntekening wordt bedekt door een werveling van kleurvlakjes en vlakken. In de oorlogsjaren trad een vereenvoudiging op en deden elementen hun intrede die doen denken aan Miró. Vaak lijkt zijn manier van werken ook vooruit te lopen op jongere schilders als Asger Jorn, Jackson Pollock, in zijn late werk zelfs Per Kirkeby. Hofmann sprak over zijn werk als ‘ruimtelijke constellaties waarvan het ritme voor mij een diepe psychologische, en een diepe mystieke en poëtische betekenis heeft.’ Hij lijkt wars van kleurenharmonie en combineert het spontane gebaar met scherp gekaderde monochrome rechthoeken en driehoeken die nooit gelijkmatig zijn ingeschilderd. In deze gestolde wanorde blijkt toch steeds een geheimzinnige orde te heersen.

Hofmann heeft altijd benadrukt dat de natuur zijn inspiratiebron was. Opvallend afwezig in zijn werk is de menselijke figuur. Meer en meer zijn het indrukken van momenten op de dag, seizoenen en stemmingen. Het beste doek in de tentoonstelling is voor mij Nocturnal Splendor (Nachtelijke pracht) uit 1963.

Hans Hofmann, Nocturnal Splendor, 1963

In de omschrijving ruimtelijke, ritmische constellaties zit een verwantschap met Fernand Léger. Zij waren even oud (Hofmann is van 1880, Léger van 1881), brachten beiden hun vormende jaren door in Parijs en zij hadden ook allebei een sterk didactische inslag die zij in een kunstopleiding in de praktijk brachten. De zichtbare realiteit moest voor hen in elk schilderij aanwezig blijven. Maar Léger gaf daar op een andere manier vorm aan. Hij bezat veel meer pioniersgeest dan zijn Duitse vakgenoot: de manier van een compositie opbouwen in een variatie aan kleurvlakken in Hofmanns The Awakening uit 1947 doet denken aan Légers La Ville uit 1919. Het ontwerp voor een muurschildering in Chimbote (Peru) uit 1950 heeft dezelfde kracht als een soortgelijk ontwerp van Léger dat van 1924 dateert. Geen kwestie van namaak, maar van late bloei.

Push and pull, het afwisselen van trekkende en duwende krachten, stond centraal in de didactiek van Hofmann. Dat raakt aan de essentie van het werk van Léger, op wiens werk ik mij lange tijd verkeken heb omdat ik me blind staarde op de schematische figuratie. Ik ben gaan zien waar het in zijn oeuvre werkelijk (en letterlijk) om draait toen ik eens in het museum voor moderne kunst van de stad Parijs van veraf het monumentale Les Disques uit 1918 zag – nog steeds voor mij zijn beste werk, helaas niet in Metz te zien. Alles beweegt, alle vormen afzonderlijk zijn vlak maar het geheel is op een moeilijk te doorgronden manier ruimtelijk. Ruimtelijkheid is een sleutelwoord bij Léger. Op de enorme serie kegelvormige stapelingen uit de jaren van de Eerste Wereldoorlog (ze heten L’escalier, Contraste de formes of nog anders) raak ik niet uitgekeken. Ook het doek La partie de cartes uit het Kröller-Müller Museum hoort bij die reeks, het blijkt desastreus schoongemaakt waardoor het wit in de compositie pijn doet aan je ogen. Dat is des te ernstiger als je bedenkt dat Léger altijd een zekere tonaliteit nastreefde, door kleurverloop, door tinten te mengen tot een opaak oppervlak, door aangrenzende kleurvlakken elkaar net niet te laten raken, en door contouren te verzachten zodat alles op het doek op een onbestemde manier zweeft.

Hoe dicht Léger ook bij de herkenbare werkelijkheid bleef, altijd wist hij de zwaartekracht op te heffen en de dingen een vanzelfsprekende raadselachtigheid te verlenen. In een voorstudie voor het monumentale doek Les Constructeurs uit 1950 heeft hij de staalconstructie in aanbouw op een woestijnachtige bodem geplaatst. Bij de uitvoering van de definitieve versie heeft hij zijn fout gecorrigeerd, daar is zelfs onder de onderste balk nog een streep blauwe lucht te zien. Er zijn  ladders, touwen en hijskranen, de bouwers bevinden zich meer boven dan naast elkaar en tussen hen in zweven wolken. Een dynamische compositie komt los van het aardoppervlak en is op zijn kop even sterk als rechtop. Nog een overeenkomst met het werk van Hans Hofmann. Maar dynamiek kent veel verscheidenheid: van de twee was Léger de schepper van een stabiele orde, Hofmann van een wankel en onverklaarbaar evenwicht.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.