Jaap de Vries (1959-2014)

Tussen pijn en plezier

Huid van de schilder, 1988

Ik heb weinig kunstenaars gekend die hun publiek zo sterk wisten te manoeuvreren in de rol van aanklager of verdediger, als Jaap de Vries. Als zijn kunst niet provocerend was, had ze evengoed niet kunnen bestaan. En om zeker te weten dat zijn schilderijen zouden provoceren liet hij ze altijd vergezeld gaan van grote woorden. Esthetica van de zinloosheid. Maskers van de afwezigheid. Demontage van het lichaam. De Vries wilde met zijn kunst getuigen van het ongeloof in transcendentale krachten, god, moraal en geweten. Hij wilde of kon zijn ogen niet sluiten voor het gegeven dat de menselijke natuur onderhuids wordt beheerst door geweld, haat, afgunst en destructie. Als dat kunst op kon leveren, dan moest die blijk geven van het ongeloof in het beeld zelf, in elk geval van de idolatrie die kunst maakt tot ‘het meest geraffineerde vertoog van de macht om de macht in stand te houden’, zoals filosoof Eric Bolle ooit schreef. De kunst van de millenniumwisseling moest bovendien de ontwikkelingen in de informatica en genetica weerspiegelen die op korte termijn het werkelijk bestaande lichaam zouden vervangen door ‘een soort prothese-mens’ (nog eens Eric Bolle).

Vindt u het tot hiertoe allemaal best aantrekkelijk klinken, dan is het nog goed te weten dat de kunstenaar het woord ‘mooi’ als een belediging ervoer. Het viel waarachtig niet mee Jaap de Vries te liken in zijn steeds verder ontkennende of ontwijkende beweging. Toch was hij bepaald niet de eerste kunstenaar die geloofde in de mogelijkheden van scheppend nihilisme. De term is gemunt in relatie tot de schrijver W.F. Hermans en op de een of andere manier is de tegenstelling in de literatuur minder scherp dan als het om beeldende kunst gaat. De schrijver kan, of moet, onderscheid maken tussen de opvattingen of situaties die hij wil verwoorden, en de taal die hij daarvoor gebruikt. Zijn grammatica wordt niet anders wanneer zijn denkbeelden een nihilistisch karakter dragen. Het is moeilijker een beeld te maken en het tegelijkertijd te vernietigen. Als je de daad van het maken als een vorm van positivisme en toegeeflijkheid aan de macht beschouwt, loop je het risico jezelf buitenspel te zetten.

Jaap de Vries wees graag op Francis Bacon die het herkenbare beeld, vooral als het om een lichaam of een gezicht ging, geweld aandeed door het te versnijden en te vervormen. Jaap de Vries wilde nog wel wat verder gaan. Het liefst wilde hij vivisectie plegen op het lichaam, de schone buitenkant wegsnijden en het binnenwerk openleggen alsof daar het kwaad aan het daglicht zou komen. Ik heb die neiging altijd weinig productief gevonden. ‘Duidelijk wordt dat het construeren en presenteren van een beeld een gewelddadige aangelegenheid is’, schreef zijn galeriehouder Tim Flesseman in 1993. Maar zo evident is dat niet. In dat vroege werk hanteerde De Vries het stanleymes om uit beschilderde papierfragmenten lichaamsdelen, karkassen en machineachtige constructies samen te stellen. De verwijzing naar geweld zat dus tegelijkertijd in de voorstelling en in de gehanteerde techniek. Als ik Flesseman zou willen geloven ging de associatie zelfs nog dieper. Hij noemde zijn tekst ‘De schilder als chirurg. Schilderen is snijden in eigen huid.’ Los van de kwestie dat de meeste chirurgen bij voorkeur in andermans huid snijden, vraag ik mij af of Jaap de Vries zichzelf nu werkelijk pijn deed wanneer hij schilderde. ‘Snijden in eigen huid, betekent zich openstellen voor de dood. Hoe dieper men snijdt hoe dichterbij de dood. Het is een offer.’ Zou deze passage betrekking hebben op Marina Abramovic of een andere met zelfverminking gepreoccupeerde performancekunstenaar, dan had ik er meer geloof aan kunnen hechten.

Arcadia Next

Over het schilderen heb ik Jaap de Vries nooit anders horen beweren dan dat het een uiting van lust was. De connotatie met erotiek lijkt me inderdaad veel sterker dan met de dood. Ik vertelde hem eens over een inleiding in het werk van de psychoanalyticus Carl Jung, geschreven door een psychiater die uit zijn eigen praktijk het voorbeeld gaf van een puberjongen die het niet kon laten om wekkers en klokken te demonteren. De remedie bleek te liggen in het geven van seksuele voorlichting. De jonge patiënt was op zoek naar ‘hoe de dingen werken’, en hield aan het eind steeds een teleurstellende hoeveelheid radertjes en schroefjes in zijn hand. Jaap vond dit een fascinerend verhaal. Voor mij zat de overeenkomst vooral in de neiging het geheim te zoeken waar het zich niet bevindt. Het opensnijden van een lichaam leidt er – net als het slopen van een klok – allereerst toe dat het ding niet meer werkt. De drang iets wat heel is stuk te maken, heeft iets puberaals. Het is het bewust overtreden van een verbod, juist wanneer er het koketteren met seksuele taboes en de dood aan wordt verbonden. Mij leek het dan ook niet allereerst een teken dat Jaap zich had bevrijd van het gereformeerde geloof van zijn ouders. Het was een daad van protest die bovendien sterk iconoclastische trekken vertoonde. Jaap de Vries koos ooit voor de academie in het katholieke Breda (en bleef daar de rest van zijn leven wonen) om zich te laven aan een beeldcultuur waartegen hij zich ook afzette, misschien zoals Bacon ooit opschudding veroorzaakte met een gemutileerd pausenportret.  

Het engagement met filosofie, literatuur en film was meer dan een poging van zijn tijd te zijn. Een tekst waarin hij zich herkende gold voor hem als het manifest van een gelijkgestemde. Jaap de Vries was voortdurend op zoek naar zulke bondgenoten. Dat werd weleens hard afgestraft, bijvoorbeeld toen hij zijn publicatie Esthetica van de zinloosheid toestuurde aan Franz Kaiser, destijds conservator van het Haags Gemeentemuseum. Met de misplaatste arrogantie van de kunstambtenaar antwoordde die hem: Wat zinloosheid betreft lijkt me uw project wel geslaagd. Daar stonden veel positieve reacties tegenover, de beloning voor decennia tegen de stroom in durven roeien en altijd blijven zoeken naar een verbreding van zijn thematiek en een verrijking van zijn schilderpalet.

Zijn doorbraak beleefde hij nadat hij het procedé had ontdekt van het aquarelleren op aluminium offsetplaten, dikwijls aangevuld met plaksels. De zilverglanzende ondergrond gaf de verf een prachtige doorschijnendheid en het spiegeleffect deed wonderen voor de dieptewerking in de landschappen. De keuze voor bomen, waterpartijen en duistere plekken in de stad was al opmerkelijk voor iemand die zoveel belang toekende aan de menselijke figuur.

De mens bleef het hoofdonderwerp, nu niet meer versneden zoals in de vroege anatomische studies maar naakt poserend, bungelend aan een touw of verwikkeld in een gemaskerde orgie. Hun lichamen verwrongen en beschadigd, hun geslachtskenmerken tweeslachtig, rondom bekeken door camera’s. De pornografische blik bepaalde houding en gedrag van de modellen. De digitale schijnrealiteit dook op in schilderijen als Pixelstorm en Arcadia Next, met een deels in pixelstrepen uiteenvallend beeld. Naast de journalistieke werkelijkheid van waargebeurde gruwelijkheden vond Jaap een parallelle inspiratiebron, die van het web dat inkijkjes biedt in de krochten van de samenleving en de menselijke geest.

Terugkijkend op zijn oeuvre valt op hoeveel speelser deze wereld is geworden. Wat in het vroege werk een obsessief doemscenario leek, botte uit tot een apocalyptische verbeelding die niet alleen maar angstaanjagend en afschrikwekkend is. In zekere zin horen deze beelden allang tot het collectieve bewustzijn. Jaap de Vries heeft ze bevrijd uit de verborgen hoeken waar de goegemeente schande van spreekt. Hij oordeelt niet, hij heeft ook zijn vooroordeel tegen de schoonheid opzij gezet en bewijst dat de pracht van het beeld ook de kracht ervan is. En het moet gezegd dat de menselijke factor enorm aan belang heeft gewonnen. In plaats van de sjabloonfiguren, de gefragmenteerde lichamen en de kunstmatige grimas van maskers in het vroege werk, kwamen na de eeuwwisseling levende modellen, kinderen, portretten die een schaduwwereld bevolken waarin de grenzen tussen tonen en zich bekeken weten, en tussen pijn en plezier, vervagen. Hun kwetsbaarheid toont zich in gekwetstheid. 

Zo werd Jaap de Vries meer dan een schilder van louter provocaties. Hij heeft zijn tijd een gezicht gegeven, een tijd waarin moralisme het kwaad niet kan overwinnen en preutsheid bleek afsteekt tegen brutaliteit. Exegeten had hij niet meer nodig, hij beperkte zich tot korte titels als Model, Hanging, of Forest Building, of Earth Erupts on a Sunny Day. Zijn werk werd verkocht in galeries in Amsterdam, Londen en Brussel. Hij had nog een prachtige toekomst voor zich toen bij hem in 2012 een hersentumor werd gevonden waaraan hij anderhalf jaar later overleed.     

Eén gedachte over “Jaap de Vries (1959-2014)”

  1. Dank voor de erg goede tekst over Jaap de Vries. Helder, verhelderend, kritisch. Goed om hem weer in herinnering te brengen, na zijn vroege, tragische dood.
    ‘Mooi’ zou ook niet het goede woord zijn voor zijn werk, maar zijn schilderijen bezitten onmiskenbaar een eigen schoonheid. Die had zeker ook te maken met de precisie waarmee ze gemaakt waren, trefzeker en gevoelig. Ik voelde zelf altijd een soort ambiguïteit als ik voor zijn werk stond: ik vond ze verleidelijk en afstotend.
    Ooit hoorde ik hem in gezelschap zeggen, hij was nog student, dat hij er soms op uit ging om preken van bepaalde dominees te horen. Dat was een onverwachte kant, zoals ook de combinatie van zijn confronterende schilderijen en zijn zachtmoedige voorkomen en spreken (ik kende hem maar een beetje).
    Kunst en leven, dat eeuwige paar, ….

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *