modern vermaak

Tentoonstelling: Mondes Flottants, 14e Biënnale van Lyon, tot 8 januari 2018 op diverse locaties in Lyon.

Doug Aitken, Sonic Fountain

In Lyon pikte ik nog net een stukje mee van de veertiende biënnale die daar vanaf 20 september te zien is geweest. Het onderdeel dat een plek had gevonden in een tijdelijke koepel van Buckminster Fuller was al opgeheven, de locatie Museum voor hedendaagse kunst heb ik niet meer kunnen bezoeken. Bleef over de Sucrière, een voormalige suikerfabriek aan de oever van de Saône, vlakbij de samenvloeiing met de Rhone. Dat was meer dan de moeite waard.

Het was er druk en geanimeerd. De opgewekte stemming bij de bezoekers was ongetwijfeld te danken aan het lichtvoetige thema Mondes Flottants – drijvende werelden – waardoor de wind waaide, zoals de website het poëtisch uitdrukt, van anarchistisch opgetild worden, dichterlijke flikkeringen en eigentijdse, esthetische opvlammingen. Zo’n omschrijving had mij, als die mij eerder onder ogen was gekomen, veel eerder naar de Franse stad gelokt. Maar het was niet te laat. En het was waar: alles wapperde, zweefde, druppelde, pruttelde, blies, stroomde of dreef. Je kon er leegte ervaren en oneindigheid, opgeschrikt en verrast worden, lachen en huiveren. Er hing de sfeer van Dylaby, zou ik beweren als ik die inmiddels legendarische tentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum in 1962 meegemaakt zou hebben, maar helaas, ik was destijds vier jaar oud en van moderne kunst onwetend. Maar de vergelijking met de dynamische jaren zestig gaat wel degelijk op, met het speelse Fluxus en andere stromingen die de deftige kunst van zijn aura beroofden.

In Lyon hing ook de geest van Duchamp, de eerste kunstenaar die het stilstaande beeld verving door draaiende schijven waardoor zich, onder invloed van tijd en snelheid, een optische sensatie voltrok die anders was dan ooit eerder in een kunstcontext vertoond. Dat was de ambitie van deze biënnale, door de organisatoren samengevat in de trefwoorden: archipel van sensaties, expanded poetry, oceaan van geluid, elektrisch lichaam, innerlijke kosmos en circulatie/oneindigheid. Er waren ook enkele werken uit de jaren zestig en zeventig zoals van Hans Haacke en Gordon Matta-Clark. Ze hadden moeiteloos aangevuld kunnen worden met andere namen, Bruce Nauman, of Panamarenko, of Marinus Boezem. Naast het smetteloos witte doek van tien bij tien meter, aangeblazen door drie windmachines, van Hans Haacke zou het terrastafeltje met ventilator van Boezem een wonder van subtiliteit zijn geweest. Maar in de grote fabrieksruimtes in Lyon was formaat en de sensatie in, om en onder het kunstwerk te kunnen stappen een kwaliteit op zichzelf. De drie ronde silo’s aan het eind voegden er een bijzondere architectonische kwaliteit aan toe.

Ik heb me mee laten drijven. Totaal onnodig was ik bang geweest voor het intellectualisme waarin de Fransen hun manifestaties plegen te drenken. Het publiek vermaakte zich en stond niet lang stil bij de bedoeling van dit alles, de samenhang of de vraag hoe de kunst zich op dit moment verhoudt tot ons koloniale verleden. Het zijn dikwijls relevante kwesties, maar ze moeten niet alles overheersen. Had gastcurator Emma Delvigne, in het dagelijks leven directeur van Centre Pompidou-Metz, dan geen boodschap te verkondigen? Ja, toch. De biënnale-organisatie geeft per drie achtereenvolgende edities één kernbegrip als leidraad, en op dit moment is dat het begrip ‘modern’. Daarop heeft Delvigne wel degelijk gereflecteerd. Ik was er toch nog verbaasd over. Zij signaleert, in het kader van de mondialisering, een voortdurende flux, een zekere vloeibaarheid van de wereld en onze identiteiten, wat haar heeft doen besluiten Baudelaires definitie van het moderne te omarmen:  het is ‘het vergankelijke, het vluchtige, het toevallige, de ene helft van de kunst waarvan de wederhelft het eeuwige en onveranderlijke is.’ Dat is mooi gezegd, maar de verbinding met ‘het moderne’ is willekeurig. Allereerst komt de vraag op of wat modern was ten tijde van Baudelaire, dat nu nog altijd is. Bovendien is het twijfelachtig of de ‘moderne tijd’, van pakweg 1850 tot nu, zoveel mobieler en vloeibaarder is dan vroegere perioden waarin toch enorme volksverhuizingen hebben plaatsgevonden. Tenslotte, dat is mijn derde bezwaar, constateer ik dat de tegenstelling tussen bewegende, zwevende of zich in de tijd ontwikkelende kunst en de zogenaamde onbeweeglijke kunst (ik neem aan dat daarmee het schilderij en de sculptuur worden bedoeld), een bedenksel is. Geen enkel kunstwerk wordt gemaakt met de bedoeling een verstarde vorm vast te leggen. Mevrouw Delvigne mag pleiten voor een moderniteit die ‘onbegrensd uitgebreid is’, waarop ‘ervaringsobjecten’ het passende antwoord zijn, ik denk dat zulke opgeblazen taal ons niet veel verder helpt. Elk kunstwerk is een ervaringsobject dat zich slechts ontvouwt voor wie er de tijd voor neemt. Drijvende werelden vind je ook bij Jeroen Bosch en René Magritte, als je het motief letterlijk wil nemen. Overdrachtelijk is ieder goed werk voor mij een drijvende wereld. Vaak zijn ze boeiender dan de pruttelende en roterende machines die tot in het oneindige hetzelfde laten zien.

Maar ik zeg nog eens: ik heb, met veel anderen, plezier beleefd aan mijn bezoek aan de suikerfabriek. Welke curator durft hardop te zeggen dat het evenement daarmee geslaagd mag worden genoemd?

Wat kunt u verwachten in de komende weken? Aandacht voor Stedelijk Base en de beperkte kijk van Egbert Dommering op museumcollecties; Tell Freedom, 15 South African Artists in Kade, Amersfoort; Neo Rauch in De Fundatie, Zwolle.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.