De Profundis

Stedelijk Base, nieuwe collectieopstelling, de komende jaren in Stedelijk Museum Amsterdam.

Stedelijk Base

De nieuwe presentatie van de collectie in het Stedelijk heeft veel tongen losgemaakt. De meeste commentaren zijn gematigd afkeurend. Zeker, men ziet er goede dingen in, maar er valt toch veel af te dingen op de manier waarop de museumstaf samen met Rem Koolhaas en Federico Martelli de kelder heeft ingericht. Meest gehoorde kritiek is dat de architectonische opzet overheersend aanwezig is en de kunstwerken daaraan ondergeschikt zijn gemaakt. ‘Stedelijk Base is, op de keper beschouwd, een tentoonstelling van Rem Koolhaas.’, schreef Roos van der Lint zelfs in De Groene. Als je probeert te doorgronden welk selectieproces aan deze presentatie ten grondslag ligt, in een doorlopende, 120 jaar omspannende tijdlijn en kleinere thematische en strominggebonden afdelingen, en uit welke overweldigende hoeveelheid materiaal kon worden gekozen nu alle disciplines inclusief toegepaste kunst, fotografie, grafisch design en nieuwe media in samenhang worden getoond, begrijp je dat je zoiets niet aan een architectenbureau kunt overlaten.

Stedelijk Base is het produkt van een intensieve samenwerking tussen museum en zeer getalenteerde bouwmeesters, waarbij elke suggestie van elk van de beide partijen moest worden getest in een proefopstelling. Hoe houden dingen zich naast elkaar, welk verhaal vertellen ze, hoeveel ruimte neemt het in, en zeker ook: willen we Picasso eruit lichten als eenzaam genie, of als de vertolker van de tijdgeest? Idem voor Van Gogh, Rietveld, Malevich, Mondriaan, Appel en Dibbets, van wie allemaal topstukken aanwezig zijn en die toch hun plaats in de tijdlijn hebben gevonden. ‘Reductie van een collectie tot een kunsthistorisch overzicht. Reductie van een tentoonstelling tot een depotcatalogus.’, moppert Koen Kleijn, ook al in De Groene. Komkom. De vergelijking met een catalogus slaat nergens op want in een catalogus moet je uit een afbeelding op postzegelformaat en wat gegevens afleiden wat het object in werkelijkheid voorstelt, terwijl je ze in het Stedelijk in levenden lijve voor je ziet. Het afgeven op het idee van een kunsthistorisch overzicht begrijp ik niet. Mij dunkt dat het bijzonder is dat een museum uit eigen collectie een dergelijk overzicht kan presenteren en dat niet eenmalig, maar steeds in nieuwe samenstelling. De vraag of dat geslaagd kan worden genoemd hangt niet primair af van de werken waarover het museum kan beschikken, maar van de visie die eruit spreekt.

Ook Egbert Dommering  noemt Stedelijk Base op zijn blog (www.egbertdommering.nl) een ‘ensemble-oplossing waarin individuele werken verdwijnen’. Dat is het meest gehoorde bezwaar, dat je een Rothko of Newman niet meer in stille contemplatie tot je kan laten komen. Mij lijkt dat de reactie van iemand die een poëziebloemlezing aanschaft en dan klaagt dat hij alleen dat ene gedicht had willen lezen. Maar Dommering ziet überhaupt niet veel nut in een nieuwe collectiepresentatie.  Hij komt niet verder dan de suggestie dat je er een bekend werk weer als nieuw en verrassend  zou kunnen zien. De collectie-opstelling in het Stedelijk voldoet daaraan niet. Die vindt hij traditioneel, lineair (maar ook labyrinthisch, hoe rijmt dat met elkaar?), en ze kan volgens hem beter vervangen worden door ‘een virtuele rondgang op groot scherm’.

Wat is dat met ons? Worden we moe, te oud, blasé, of zijn we eenvoudig niet meer in staat een opeenvolging van meer dan twintig beelden tot een verhaal te kneden? Ik heb het niet over een voorgekookte geschiedenis maar iets dat voortkomt uit de eigen verbeelding, op gang geholpen door de eindeloze rijkdom van museumcollecties zoals die in ons land voorhanden zijn.  Is het niet  armzalig om uit een presentatie van honderden originele werken niet meer te willen halen dan een enkel bekend werk dat door een nieuw lampje wordt beschenen? En dan de voorkeur te geven aan de catalogus of een virtuele rondgang?

Het Stedelijk is erin geslaagd een totaal verbrokkelde, nog heel recente periode uit de kunstgeschiedenis als een film voor je langs te laten trekken, waarbij je van de ene verbazing in de andere valt. Er zijn nieuwe accenten gelegd, andere werken ingepast in een bekende canon, waar mogelijk is meer werk van vrouwelijke kunstenaars in het verhaal betrokken en er zijn volkomen onverwachte dwarsdoorzichten geschapen. Door de veelheid aan invalshoeken, deels chronologisch en deels door de tijd heen, ontstaat een interactief en dynamisch beeld van de geschiedenis dat op geen enkele andere manier tot stand te brengen was. Elke schrijver die zich met de kunstgeschiedenis bezig houdt kan er alleen maar jaloers op zijn want het boek of de website die dit fijngeweven web in zoveel gelijktijdige relaties kan tonen, bestaat niet.

De architectuur is hier voorwaardescheppend. Men raakt niet uitgepraat over het feit dat de wanden van staal zijn, mij lijkt dat totaal oninteressant. Dat wil zeggen: ik vind ze erg mooi en zeer goed passend, zowel in deze ruimte als bij de esthetiek van de witte badkuip, ze zijn als systeem flexibel en zowel twee- als driedimensionaal op veel manieren toepasbaar. Overheersend is de ruimtelijke plaatsing, grotendeels in schuine hoeken ten opzichte van elkaar. Een flipperkast, schreef Roos van der Lint, en dat lijkt mij als metafoor voor de moderne kunst heel treffend en voor een museumpresentatie heel spannend. Voorop staat dat het Stedelijk een probleem waarmee een andere architect  (Mels Crouwel) het heeft opgezadeld, heeft opgelost. De kelderzalen hebben een geschikte invulling en route gekregen en voor het eerst is de roltrap naar de eerste verdieping een functionele verbinding geworden tussen verschillende, ver uiteengelegen zalen.

Veel musea die zijn gesticht op het klassieke stramien van langgerekte vleugels rondom een binnenhof, waarin de zalen zich als een parelketting aaneenrijgen, hebben in de afgelopen decennia gekozen voor uitbreiding in de vorm van een ongedifferentieerd volume: groot, hoog en leeg. Museum Boijmans-Van Beuningen was er vroeg bij met de Bodon-vleugel in 1972. Wat daar in vijfenveertig jaar tijd is geëxperimenteerd met tijdelijke opstellingen, op- en aanbouw en verandering van verkeersroutes, zou een aparte geschiedschrijving waard zijn. Vanaf 10 februari aanstaande toont het museum er ‘ultragrote werken uit de collectie’, wat de stelling onderbouwt dat grotere zalen vooral schaalvergroting in de hand werken. Nog moeilijker is het wanneer zulke zalen in een kelder ondergebracht moeten worden omdat er boven de grond geen plaats is. In het Städel Museum in Frankfurt am Main slaagde het architectenbureau schneider+schumacher er in 2008 in een ondergrondse uitbreiding te realiseren met een veelheid aan ronde lichtkoepels in het plafond die zowel van binnen als van buiten gezien een aangenaam decoratief patroon vormen. In de ruimte is een permanente wandenindeling geplaatst die niet veel intimiteit uitstraalt en ook daar in het voordeel werkt van grotere werken die al van veraf de aandacht trekken.

         

Städel Museum Frankfurt

Deze Frankfurter oplossing is in het Stedelijk beproefd en onwerkbaar gebleken. Het museum heeft de moed getoond twee opgaven te combineren: een open compartimentering van de ruimte en een semipermanente opstelling van de collectie die een nieuw verhaal vertelt of een oud verhaal openbreekt. Het zou mij niet verbazen als deze manier van presenteren school gaat maken. Ze past in de trend om museumstukken meer als historisch object te benaderen, met behoud van de esthetische kwaliteiten. Het Stedelijk is een stukje opgeschoven in de richting van het Rijksmuseum en het British Museum dat ooit een ‘geschiedenis van de wereld in 100 objecten’ presenteerde als radioserie, boek en tentoonstelling. Musea durven het aan grotere verhalen te vertellen met talloze facetten, zonder de suggestie van rechtlijnigheid en voor altijd vastliggende waarden. De bezoekers die denken zo’n collectie en de geschiedenis al te kennen, verdienen het dat hun zekerheden door de flipperkast worden gehaald. Schoppen of duwen helpt niet, gewoon nog eens opnieuw proberen. Ergens diep onder het Museumplein bevindt zich voortaan de schatkamer van het Stedelijk, de nieuwe erezaal. Wen er maar aan.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.