Tevreden naar mijn spullen kijken

Hanne Hagenaars, Geen wolk. Hoe kunst mijn leven redde, Art Paper Editions 2016

hanne hagenaars300x225

Er is iets goeds aan het boek Geen wolk, en dat is de eerste zin: ‘Ik leef nog en mijn leven glipt voorbij als een potje patience.’ Bij eerste lezing onthult die een gebrek aan zwaarte, diepgang of dramatiek in het bestaan van de hoofdpersoon. Na lezing van het boek blijkt juist dit besef de aanzet te zijn geweest tot het schrijven, om onder ogen te zien wat dat ‘Ik leef nog’ inhoudt.

Zover de lezer kan achterhalen is het leven van Hanne Hagenaars nooit werkelijk in gevaar geweest en dat geeft de ondertitel ‘Hoe kunst mijn leven redde’ iets dweperigs. De gelijkenis met Erica Jong’s ooit opzienbarende boek dat in Nederlandse vertaling Hoe red ik mijn eigen leven heette, zal ook wel geen toeval zijn. Hans Aarsman noemt Geen wolk op het achterplat ‘dapper, persoonlijk en intelligent’, wat het definitief opsluit in het reservaat van vrouwelijke bekentenisliteratuur. Je mag de hoop koesteren een dapper boek te hebben geschreven, maar je moet nooit goedvinden dat je uitgever het als aanprijzing gebruikt. In geen geval wint het daarmee aan dapperheid.

Is Geen wolk een goed boek, in de zin van onderhoudend, leerzaam, goed geschreven? Daar kun je verschillend over denken. De achteloosheid waarmee Hanne Hagenaars haar leven vanaf de eerste zin op het spel zet gaat geleidelijk meer hinderen. In de tweede helft, wanneer ze langer stil durft te staan bij persoonlijke ervaringen en niet steeds als eerste impuls haar toevlucht neemt tot een kunstenaar bij wie ze haar muizenissen herkent, wordt het beter. Het is bijna potsierlijk hoe ze eerst tekenaar Robbie Cornelissen en dan schilder Lisa Couwenbergh van het werk houdt met bespiegelingen waaruit zo weinig belangstelling spreekt voor de kunstenaars in kwestie. Hagenaars gebruikt de kunst als een spiegel voor haar angsten en tobberijen, en een spiegel doet wat-ie belooft. Een onopgeruimd huis, angst voor spinnen, een ongemakkelijke relatie tussen kinderen en hun dementerende ouders, alles wat je ervoor houdt krijg je terug. ‘Ook ik had als kind dat verlangen naar iets wat je nog geen naam of vorm kunt geven.’, vertrouwt ze Lisa Couwenbergh toe. Dus? Steeds is er de onuitgesproken hoop dat de kunstenaars die zij benadert, bij wie ze altijd welkom is en ‘waar je meteen op je gemak gaat zitten en op de thee wacht’, Hagenaars’ probleem op zullen lossen. Merkwaardig genoeg gebeurt dat ook, niet doordat de benaderde personen over zulke bijzondere psychologische of vriendschappelijke kwaliteiten beschikken, maar omdat Hanne Hagenaars alles omarmt wat haar aan hocus pocus wordt aangereikt.

‘Kunst leeft van ons onwrikbare geloof in haar magie’, schrijft zij. Nog maar kort geleden bracht ik zelf geloof en kunst in één zin samen naar aanleiding van de schilderijen van George Meertens: ’Alle kunst is namaak geworden. We geloven er niet meer in.’ Tot deze conclusie kwam ik door de steeds herhaalde constatering dat van de kunstenaar van nu geen kunnen, noch geloofwaardigheid wordt gevraagd. Ik maak nu kennis met iemand uit de kunstwereld die bereid is alles blindelings te geloven wat een kunstenaar haar voorspiegelt, zolang het aansluit bij haar eigen gepieker en behoefte aan geborgenheid en zingeving. Hanne Hagenaars zoekt naar herkenning en identificatie in de kunst van anderen. Zij hecht geen waarde aan een kunstwerk omdat daarin iets gebeurt wat haar overtuigt, maar omdat zij wil geloven. Ik vrees dat veel van haar lezers er precies zo ‘in staan’ en bij haar dezelfde ‘inleving’ vinden die we niet moeten verwarren met belangstelling voor wat die ander denkt.

Op verschillende momenten brengt Hagenaars het taboe ter sprake dat kunst niet therapeutisch mag zijn. Zij gaat er niet dieper op in, wat ik jammer vind. Ik ben ervan overtuigd dat alle kunst een therapeutische oorsprong kent. Een rationele keuze kun je het schrijverschap of het vak van kunstenaar of componist moeilijk noemen. Ieder van hen probeert een tekort in zichzelf te verklanken door iets uit de verbeelding toe te voegen aan wat al bestaat. Kunst brengt iets aan het licht zonder het op te lossen. Dat is een harde les, waar Hanne Hagenaars dan ook niet aan wil. Zij volgt de tijdgeest als ze schrijft: ‘Het overwinnen van schaamte is de kern van het kunstenaarschap, de kern van het leven. Kunstenaars vragen niet in een beschermde kring om een pleister op de schaamte, maar ondervragen deze gevoelens juist.’ Dat is het type redenering waarvan ik zeg: dat schiet niet op. Los van de vraag of schaamte antwoord geeft op zulke indiscrete vragen, zou ik op zoek gaan naar kunstenaars die – in elk geval tijdens hun scheppende arbeid – erin slagen hun schaamte opzij te zetten om te doen waar ze goed in zijn. Iemand vragen zijn schaamte te overwinnen is zoiets als een man vragen celibatair te leven. Bijna onmogelijk.

Wat leert Geen wolk ons over de auteur? Dat zij worstelt met onzekerheid en praktische vraagstukken, in ernst oplopend van hoe van een gevonden beeldje af te komen tot het afscheid nemen van gestorven familieleden. Wat leert het over hedendaagse kunst? Dat je er niet te hoogdravend over moet doen. Schroom niet je eigen navelstaarderij gereflecteerd te zien in performances, herschikkingen van huisraad, fotoseries van lichtvlekken en andere ondefinieerbare acties waarvan het hedendaagse kunstbedrijf overloopt, want dit is waar het over gaat. Dat is ook wat me het meest hindert aan zo’n boek: dat het stopt waar het echt persoonlijk wordt, dat intelligentie wordt ingeruild voor bijgeloof en dat dapperheid ten enenmale ontbreekt. Dapper is: jezelf durven te bekwamen in een vak, ergens de beste in willen zijn en alle geneuzel en gezelligheid achterwege laten. In dat opzicht is Geen wolk een schaamteloos boek.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.