Edith Meijering, de aard van het beestje

Op 14 januari werd bekend dat Edith Meijering is overleden. Op 28 juni 2018 mocht ik haar tentoonstelling openen in Zinder, Tiel, met de titel De aard van het beestje. Hieronder mijn inleiding.

Ik was ooit bij een tentoonstelling waar Gerrit Komrij het openingswoord sprak en hij maakte daar een onderscheid tussen kunstenaars die werken vanuit een teveel, en anderen die werken vanuit de beperking, de schaarste. Edith Meijering hoort zonder enige twijfel bij de eerste categorie. Ze is enorm productief. Ze maakt veel, ze heeft een grote atelierruimte die helemaal volgepakt is met ouder werk waartussen ze plaats probeert vrij te houden voor het nieuwe. Ze exposeert veel en heeft dan veel om uit te kiezen. Ze laat veel op zich afkomen, waardoor ze het druk heeft, en ze maakt zich ook druk. Ik benijd haar daarom niet, maar ik heb bewondering voor de manier waarop ze middenin het leven staat. Dat voel je als je in haar buurt komt.

Ik was de afgelopen tijd soms in haar buurt om haar werk te bekijken en erover te praten. Maar eigenlijk moet dat niet nodig zijn om te voelen wat deze kunst omwoelt en losmaakt. Het hoogste doel van elke tentoonstelling is mensen in de gelegenheid stellen in de buurt van de kunstenaar te komen. Ze niet alleen naar het werk te laten kijken, maar er dichtbij  te laten komen, tot het punt waar het hen raakt.

De kunst van Edith Meijering gaat altijd over mensen. Zelfs wanneer het accent op dieren ligt, zoals in deze tentoonstelling, gaat het over mensen. Onze omgang met dieren is immers voor een groot deel gebaseerd op projectie van menselijke eigenschappen zoals trouw, agressie en liefde. Wij hebben geen idee wat er in het hoofd van een hond, paard of geit omgaat, maar we voelen een zekere nabijheid omdat ze net als wij twee ogen hebben en daarbij nog leuke oren en een lieve snuit. We gaan zelfs zo ver dat we het dier een aard toeschrijven, een karakter. En omdat we dieren wel kunnen temmen, maar moeilijk in therapie kunnen nemen, gaan we ervan uit dat dat karakter in wezen onveranderlijk is. Zo komen we aan de uitdrukking ‘dat is nu eenmaal de aard van het beestje’.  

Zoals elke gemeenplaats die begint met ‘dat is nu eenmaal…’, is dit eigenlijk een zinloze mededeling. Er staat immers: dit dier is zoals het is, of doet zoals het doet, en daar kunnen wij niet veel aan veranderen. Het wordt anders wanneer we zo’n uitspraak toepassen op een mens. Dan zegt die ineens: hij of zij houdt er gewoonten op na die hinderlijk of in elk geval opmerkelijk zijn en daarbij buitengewoon hardnekkig. In dat opzicht lijkt hij of zij net een dier. Je ziet hier hoe willekeurig de vergelijking tussen mens en dier meestal is, en met welk gemak we het dier menselijk maken en de mens dierlijk. De enige lijn die ik erin kan ontdekken is dat het dier er op vooruit gaat wanneer het menselijke trekken krijgt, en de mens door de vergelijking met een dier in achting afneemt. Alleen voor indianen lijkt deze laatste regel niet te gelden. Die koppelen de opmerkingsgave van de arend aan de moed van een paard en de slimheid van laten we zeggen de kameleon.

Het dier gaat er dus juist op vooruit. Het wordt er intelligenter van en het krijgt de kans de wijsheid die wij verbinden aan zwijgzaamheid te vertalen in woorden. Denkende en pratende dieren zijn de hoogste graad van evolutie die wij ons kunnen voorstellen. Dat komt ongetwijfeld doordat wij vinden dat dieren nog onderdeel zijn van de natuur en dat wij ons daar als mensen van losgemaakt hebben. Door onze intelligentie en ratio zijn wij de natuur ontstegen. Wij kunnen die nu analyseren en de kennis ervan gebruiken om processen te veranderen, nieuwe materialen te maken die onnatuurlijk zijn zoals plastic, we kunnen geneesmiddelen maken en we kunnen de dampkring verlaten als we daar zin in hebben. Allemaal indrukwekkende verworvenheden, maar we zijn er ook iets door kwijtgeraakt. Daar herinnert het dier ons aan, dat zijn voedsel vindt in zijn omgeving, dat geen dating apps nodig heeft en niet met een permanent gevoel van frustratie over het gebrek aan liefde in zijn jeugd rondloopt. De enige mens die in zijn buurt komt is dus de nobele indiaan uit de jongensboeken – ik heb tenminste nog nooit iets gelezen over een nakomeling van Winnetou die zijn vader aanklaagt zoals Franz Kafka dat in zijn beroemde brief deed.

De natuur is in zichzelf goed en in evenwicht. Het natuurlijke wezen kent geen spijt en kijkt niet vooruit naar de dood. Omdat de mens zich zoiets niet kan voorstellen ziet hij in de natuur iets geheimzinnigs, iets dat niet te bevatten is. Zo kunnen schepsels met wie we gebrekkig communiceren en die op ons lijken met hun ogen en hun neus, uitgroeien tot mythische wezens. Plaatsen we die in een wereld die door mensenhanden is gemaakt, dan lijken ze daar niet op hun plaats of zelfs bedreigd. Ik hoef maar te verwijzen naar de tekening van Edith die op de uitnodigingskaart staat afgedrukt: daar zien we in een nachtelijke setting een hertje dat verschrikt omkijkt naar de fotograaf met zijn flitslicht. Het dier staat in een bouwsel dat het best te vergelijken is met een voetbaldoel waarvan het net versleten is. Voor het hertje is dit een zinloos object waarin het hooguit verstrikt zou kunnen raken. Hier botsen twee werelden op elkaar, de functionele van de mens en de doelloze van het dier.

Ik denk dat die ontmoeting in elke tekening en schildering van Edith terug te vinden is. Fantasie, mythe en werkelijkheid lopen door elkaar in een beeldtaal die soms teruggrijpt op de beroemde zwarte schilderijen van Goya en het volgende moment op de kunstmatige realiteit van my little pony. En dat hoeft niet eens een botsing op te leveren, of een aanklacht, want in de verbeelding van Edith bestaan die werkelijkheden naast elkaar en ze beïnvloeden elkaar ook. Ik zei in het begin al dat zij middenin het leven staat en daar is dit het resultaat van.

Ik heb nog niet verklaard waarom ik denk dat de mens – en niet het dier – centraal staat in haar werk. Voor een deel is dat omdat ze het zelf zegt. Ze stuurde mij een korte tekst waaruit ik twee zinnen aanhaal:

‘Nieuwsgierigheid, kennis verwerven, en het verlangen naar voor mij vreemde en nieuwe zaken is wat mij drijft.’

En verderop schrijft ze: ‘Mijn onderwerpen komen altijd voort uit de verhoudingen tussen en gedragingen van de mensen. Lust en lijden, onschuld en ondeugd, uiterlijk succes en kwetsbaarheid, maakbaarheid en onvermogen, ratio of intuïtief.’

Dat is een kernachtige samenvatting van waar haar belangstelling naar uit gaat. Zij heeft er behoefte aan onder de oppervlakte te kijken, voorbij de uiterlijke schijn. Ze is niet op zoek naar een heilig of schijnheilig gezicht, maar wil weten wat de drijfveren van mensen zijn, wat ze tonen en wat verbergen. Als je wil weten hoe zij te werk gaat is de serie Roleplay die ze in 2013 maakte het beste voorbeeld. Onder die titel maakte ze toen een serie schilderingen op papier, die eigenlijk de uitkomst was van een project dat zich over een langere tijd uitstrekte. Ze verdiepte zich in de seksuele fantasieën van mensen die ze aanvankelijk niet kende en die de drang hadden een rol te spelen die voor hun directe omgeving verborgen moest blijven. Dat spel kwam tot stand doordat deze mensen er op internet over vertelden. Edith heeft zich in die wereld begeven, eerst anoniem chattend, later door zich bekend te maken als kunstenaar en de bereidheid te tonen hun verhalen aan te horen. In een aantal gevallen heeft ze die uitgetekend en uitgeschreven.

Het is een dappere onderneming om zoiets te doen. Je weet van tevoren niet waar je nieuwsgierigheid je brengen zal. Al gauw kom je je eigen vooroordelen tegen en uiteindelijk merk je dat je streng je grenzen moet bewaken om te voorkomen dat je zelf een rol krijgt toebedeeld in dit spel. Edith wilde afstand houden en er niet zo diep in verwikkeld raken dat ze er voor haar kunst niets meer mee kon doen. Ze had er eindeloos mee door kunnen gaan, want de behoefte van mensen aan een luisterend oor is niet te stillen, maar ze heeft er op een goed moment een punt achter gezet. Het was een leerzaam project, het was interessant en het was genoeg.

Soms zie je dat een kunstenaar jarenlang om een kern cirkelt, en dan ineens is er de sprong in de diepte en het woord dat alles omvat. Rollenspel. Het heeft de klank van een therapeutisch groepsproces, maar zo is het hier niet bedoeld. Dit spel is al in volle gang en het stopt nooit. Het heeft geen therapeut nodig en al helemaal wil Edith Meijering die rol niet op zich nemen. Zij observeert, luistert, en brengt in beeld wat onder een verstikkende deken van fatsoen verborgen moest blijven.

Daar ligt haar diepste wens: te doorgronden wat mensen uitspreken en wat ze tot elke prijs willen verzwijgen. In dat spanningsveld komen angsten en fantasieën aan de oppervlakte, mooie en lelijke dingen, modieuze dingen van nu en motieven die eeuwig terugkeren in de geschiedenis. Door die motieven te betitelen als ‘de aard van het beestje’ lijkt het even dat zij zichzelf erbuiten plaatst. Dat zij de zoöloog is die ons etiketten opplakt, of de dompteur die ons kunstjes laat doen. Maar die argwaan is overbodig. Zij is een van ons, een mens op zoek naar verbinding met anderen. Precies zoals wij allemaal, en net een tikje moediger. Zij zet de eerste stap, zij stelt de vraag, zij tekent het uit zonder een interpretatie voor de eeuwigheid vast te leggen.    

Haar manier van tekenen en schilderen is vloeiend, kleuren lopen nat in nat in elkaar over en het eindresultaat is misschien wel opgedroogd, maar nog steeds heb je het gevoel dat de emotie eraf druipt. Haar personages lijken dikwijls te huilen, te zweten, te zwemmen of op te lossen in een vloeibare ondergrond. De ware aard van het beestje is ongrijpbaar.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.