Kringloopgedachten: Erfmann, Tegenbosch, Gordijn

Boek: Ferdinand Erfmann, met inleiding van Henk Romijn Meijer en Lambert Tegenbosch, Galerie Mokum, Amsterdam 1973  

Ferdinand Erfmann, Zelfportret in slaapkamer, 1962. collectie Museum More.

Een vast onderdeel in het aanschafbeleid van mijn kunsthistorische bibliotheek is een regelmatig bezoek aan de plaatselijke kringloopwinkel. Ik heb er prachtige uitgaven gevonden – vanzelfsprekend bijna voor niets -, prachtig niet vanwege de grafische afwerking, maar om de inhoud. De boeken die mij daar opvallen zijn veertig of vijftig jaar geleden gekocht door iemand met een vergelijkbare interesse en nu door de erfgenamen afgeleverd bij Het Goed en goddank niet weggegooid. Het is nutteloos je af te vragen wie er geïnteresseerd kan zijn in oud papier dat door vorige generaties is verzameld – je weet het niet, en alleen al daarom zou je het toeval een kans moeten gunnen.

Het toeval bezorgde mij een week geleden een publicatie over Ferdinand Erfmann, uitgave Galerie Mokum, 1973, ingeleid door Henk Romijn Meijer en Lambert Tegenbosch. Om die inleidingen was het mij te doen, de illustraties hoofdzakelijk in zwartwit zijn niet meer van deze tijd. De teksten zijn boeiend, daarover zometeen meer. Maar het boekje blijkt ook een tijdsdocument: Erfmann is in 1968 na eenzame jaren overleden en bleek zijn nalatenschap te hebben bestemd voor het Stedelijk in Amsterdam dat er niet eens vriendelijk voor bedankte. De boedel belandde op het Waterlooplein (destijds de grootste kringlooplocatie van Nederland) en werd gered door Dieuwke Bakker van Galerie Mokum. Museum MORE toonde nog afgelopen jaar een Erfmann-overzicht met bruiklenen van musea en particulieren, waardoor het met het voortleven van deze kunstenaar nog best goed gekomen lijkt, maar het kan geen kwaad iets van de voorgeschiedenis van deze bekendheid te weten.

De inleiding van Henk Romijn Meijer is een voorbeeld van een achtergrondverhaal over de kunstenaar, onsentimenteel geschreven en met zo goed gekozen en gedoseerde details uit het privéleven van Erfmann dat je hem als persoon beter gaat kennen. Zulke teksten, constateer ik met spijt, worden niet meer geschreven. Als het nu nodig wordt gevonden iemands persoonlijkheid te belichten, dan gaat het over geld, succes en beroemdheid, drie factoren die in Erfmanns leven ontbraken. Maar het intellectuele klimaat rond de beeldende kunst (voor zover men daar nog van kan spreken) is inmiddels zo opgewarmd dat kunstenaars en critici biografische details liever buiten beschouwing laten. Kunst gaat over kunst, de wereld of het heelal, maar niet over degeen die er de bedenker van is.

Lambert Tegenbosch heeft zich in een commentaar op een publicatie van Eddy de Jongh over Frans Hals uitgelaten over de raakvlakken van de kunstkritiek met de psychologie. Voor iconologen was het in de jaren ‘60 uit den boze, ondanks het feit dat een van de aartsvaders van de kunstgeschiedenis, Max Friedländer, ooit heeft gezegd:‘Aangezien de kunst des geestes is, behoort de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van de kunst de psychologie te zijn.’ Tegenbosch erkende dat psychologische conclusies lelijke misslagen tot gevolg kunnen hebben, maar stelde voor de aanname van Friedländer aldus te herformuleren:’Aangezien de kunst des geestes is, behoort de omgang met kunst te bestaan in het vinden van de betekenis van het kunstwerk.’ En voegde daaraan toe: ’Wie de betekenis van een kunstwerk vat, heeft het tegelijk gewaardeerd.’

Om de betekenis van een kunstwerk te kunnen bevatten, moet de beschouwer of criticus zich verdiepen in wat de maker heeft gedaan, wat in zijn leven en persoon hem daartoe heeft gebracht, en wat dit zegt over hemzelf, zijn verbeelding en mogelijk ook de werkelijkheid buiten hem die iets in het kunstwerk herkent. Tegenbosch was een scherp debater, maar als criticus was hij op zijn best wanneer hij niet stelling nam tegen andere schrijvers, maar zich verplaatste in kunstenaars. Daarom zijn de stukken over levende kunstenaars die hij kende zijn grootste verdienste. Ze zijn mondjesmaat gebundeld en voor het overige moeilijk terug te vinden. Met het stuk over Erfmann heb ik er weer een in handen, kort daarvoor kwam ik al een veel later gepubliceerd artikel (uit 1988) over Herman Gordijn tegen.

‘Schilderen deed Erfmann ’s nachts. (…) De nacht is de klassieke tijd voor de schrijvers. Erfmann tekende zijn schilderijen met potlood compleet op doek. Dit was zijn schrijverij en het vormde het eigenlijke van zijn schilderij. De schilder Erfmann is de nachtelijke schrijver van zijn treurige en opgewekt schijnende dagboek. Zijn oeuvre is zijn dagboek.’

Bloemrijke taal niet alleen, maar ook overlopend van begrip voor de kunstenaar en zijn werk. En dat in 1973, toen aandacht voor een figuratief werkende schilder als een doodzonde gold. Zo iemand was een ‘realist’ en dus aartsreactionair, of een zondagsschilder, dus een onhandige zielenpoot. Met Erfmann kon de kunstwereld beide kanten op, maar niet de goede kant, namelijk die van de erkende hedendaagse kunst. ‘Zonder te passen in de ontwikkeling [van de moderne kunst, RS] , is de kunst van Ferdinand Erfmann eigentijdse kunst: in geen enkele andere tijd zo plaatsbaar als die tijd van angst en eenzaamheid die wij de onze noemen’, schrijft Tegenbosch.

Later zou hij met evenveel inleving schrijven over Herman Gordijn. Het zal waarschijnlijk geen toeval zijn dat ik opeens opvallende overeenkomsten zie tussen de kunst van Erfmann en Gordijn. De mannelijk ogende prostituee op het raam kloppend om klanten te wenken (Het klantje, 1947); de forse dame die in het water staat (Badhokjes, 1961); kinderen bij hun ouders achterop de fiets (Fietsende vrouwen, aquarel, 1927, en nog eens als schilderij, 1954); een quasi-gewelddadige scène op het toneel met publiek op de achtergrond (Variétéscène, 1968); allemaal motieven die een echo zouden krijgen in het oeuvre van Herman Gordijn, waarschijnlijk zonder dat er van directe beïnvloeding sprake was. Hun beider manier van schilderen toont een wereld van verschil: de grafische, schematische en vlakke stijl van Erfmann tegenover het zachte picturale van Gordijn. Hard tegenover zacht: dat tekent waarschijnlijk de manier waarop zij het leven ondergingen. In hun verbeelding naderden zij elkaar toch heel dicht. Lambert Tegenbosch heeft er de betekenis van gezien.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.