Onrecht dat we niet hoeven te zien

Tell Freedom, 15 South African Artists, t/m 6 mei in Kunsthal Kade, Amersfoort

Bronwyn Katz, Orkaan Kwaatjie, 2017

Tijdens een voorbezichtiging van Tell Freedom vroeg ik aan Nkule Mabaso, de Zuid-Afrikaanse co-curator van deze groepstentoonstelling, of zij de stelling onderschrijft dat alle kunst in haar land vanzelf politiek is. Dat vond zij te sterk uitgedrukt, maar, zei ze, het geldt zeker voor de kunst waar ik belangstelling voor heb. Dat is een niet onbelangrijk accentverschil. In een land waar iedereen volgens de grondwet weliswaar gelijk is, maar in de praktijk de kansen en middelen zeer ongelijk zijn verdeeld en nog veel mensen moeten berusten in hun lot van achterstelling en armoede, is elke kunstzinnige uitspraak een manier om vrij te zijn. Een manier to tell freedom, waarvoor niet meer nodig is dan de durf vrijuit te denken en te spreken. De betekenis van zulke kunst kan politiek zijn zonder dat ze in dienst staat van een politiek doel. Kunst met een expliciet politieke boodschap kent wel een doel, al is het maar dat er protest wordt aangetekend of een misstand aan het licht gebracht. In de Amersfoortse tentoonstelling ligt de nadruk sterk op deze laatste variant.

Dat maakt mij nieuwsgierig naar de kunstenaars zelf. Wie zijn zij, wat is hun achtergrond, wat weten zij van de apartheid die zij niet zelf hebben meegemaakt? Wat zijn hun eigen ervaringen als het gaat om ongelijkheid en onrecht? Wat is überhaupt de positie van de kunstenaar in de Zuid-Afrikaanse samenleving? Wordt hun stem gehoord? Het is een gemiste kans dat geen van de schrijvers in de catalogus hier dieper op ingaat. Mabaso vertelde dat aan de kunstopleidingen maar weinig jongeren uit de armere klasse studeren vanwege de slechte vooruitzichten op een zelfstandig bestaan. Veel van de deelnemers aan Tell Freedom hebben een periode in het buitenland gewerkt of gestudeerd om aansluiting te vinden bij de internationale kunstwereld. Het lijkt erop dat zij hopen in eigen land serieus genomen te worden door elders bekendheid op te bouwen. In dat opzicht is er nog niet veel veranderd sinds de apartheid toen kunstenaars en schrijvers ook vaak in ballingschap gingen om vrijuit te kunnen spreken en de internationale gemeenschap te mobiliseren tegen het blanke regime.

De titel Tell Freedom is ontleend aan de autobiografie van de Zuid-Afrikaanse journalist en schrijver Peter Abrahams (1919-2017) die zich in 1940 vestigde in Engeland en vanaf 1956 op Jamaica woonde, ver van zijn geboorteland waarover hij wilde vertellen. Het is veelzeggend dat kunstenaars zich nog steeds achter dit motto scharen. De situatie is er niet overzichtelijker op geworden nu er geen sprake meer is van een blanke minderheid die een gekleurde meerderheid zijn rechten afneemt. De mensen die nu onrecht en ongelijke kansen in stand houden noemen zich de leiders van degenen die vroeger onderdrukt werden. Zij zijn op hun beurt gecorrumpeerd door de macht en het grote geld. Daarbij komt nog dat de Zuid-Afrikaanse samenleving oneindig veel diverser is dan de zwart-wit tegenstelling doet vermoeden. ‘Zuivere’ nazaten van de oorspronkelijke bevolking, de Nederlandse of Engelse koloniale heersers of de slaven die gehaald werden uit Afrikaanse landen, India, Zuid-Amerika en nog verder, zul je er moeilijk vinden. De vraag wie zich door wie vertegenwoordigd voelt, wie door wie benadeeld wordt of met minachting aangekeken, is zo complex dat iedereen er in de smeltkroes op zoek moet naar een eigen identiteit. Zuid-Afrika is het huis dat zij samen moeten delen en niemand kan het land nog exclusief voor zichzelf claimen.

In deze situatie kan de stem van de vrijheid misschien barrières doorbreken, wanneer die tenminste ieders vrijheid op het oog heeft. Er zijn twee manieren om onrecht en onvrijheid aan de kaak te stellen: terugvallen op oud zeer, of vooruitwijzen naar wat vrijheid kan betekenen. Het gevaar van de eerste benadering, gericht op genoegdoening, is levensgroot aanwezig.

De beide curatoren van Tell Freedom, naast Nkule Mabaso ook de Nederlandse Manon Braat, sturen daar zonder veel omwegen op aan. De motivatie om deze expositie samen te stellen ontspruit bij beiden aan hun persoonlijke ervaringen. De inleiding van Mabaso gaat voor een groot deel over een oudere, blanke benedenbuurvrouw die haar een proces wil aandoen omdat zij Mabaso geen plek gunt in deze voorheen blanke wijk. Braat gaat terug naar haar eerste bezoek aan Kaapstad en haar verbazing over de namen van straten, wijken en dorpen die vernoemd zijn naar ‘onze’ Jan van Riebeeck en Simon van der Stel. Maar het herleiden van de huidige tegenstellingen in Zuid-Afrika tot een ereschuld van Nederland omdat de VOC er ooit een foerageerplaats heeft gevestigd die later uitgroeide tot Kaapstad, is kortzichtig en ongenuanceerd. Het is niet voor niets dat in Nederland geen standbeelden voor Van Riebeeck en zijn opvolgers staan. Zij zijn deel geworden van de Zuid-Afrikaanse geschiedenis zoals Philips de Tweede, de hertog van Alva en Lodewijk Napoleon het zijn van de onze. Geen enkele Spanjaard of Fransman voelt zich met terugwerkende kracht schuldig over misstanden in het Nederland van nu.

De catalogus van Tell Freedom bevat maar liefst acht teksten die aspecten behandelen van de Zuid-Afrikaanse geschiedenis en cultuur en de gedeelde erfenis van het Nederlandse koloniale bewind. Wie geïnteresseerd is in het laatste onderwerp vindt een evenwichtiger overzicht in de bundel Goede Hoop die vorig jaar door het Rijksmuseum is uitgegeven. De andere stukken gaan over achterstelling, ongelijkheid en racisme, maar hebben met het geëxposeerde werk weinig of niets te maken. In elk geval wordt er nergens een verband gelegd en het lijkt erop dat hier een betoog wordt afgestoken over de hoofden van de kunstenaars heen. Ook de vaker terugkerende verwijzingen naar sporen van racisme en achterstelling in Nederland en de vreemdelingenhaat die heeft geleid tot protesten tegen de vestiging van asielzoekerscentra, hebben met deze tentoonstelling niets te maken en leiden slechts de aandacht af van wat de kunstenaars te zeggen hebben.

Gelukkig is beeld dikwijls subtieler en gelaagder dan het woord, zelfs wanneer de maker het als een aanklacht bedoelt. Zo appelleren de naakte vrouw met wasbekkens van Buhlebezwe Siwani, helemaal gemaakt uit de groene zeep die in de townships voor alles gebruikt wordt dat schoon moet, aan alle zintuigen. Hetzelfde geldt op het pijnlijke af voor de installatie met keramische honden, houten krukken en autobanden van Kemang Wa Lehulere. De autobanden, bij kinderen in gebruik als speelgoed, verwijzen ook naar het zogenaamde necklacing van collaborateurs met het apartheidsregime. Het hoofd werd klem gezet in een band waarna die in brand werd gestoken.

Politiek of niet, kunst kijken is hier geen onschuldige vrijetijdsbesteding. Bij sommigen is er meer historische afstand, zoals bij het duo Haroon Gunn-Salie en de Braziliaanse Aline Xavier die een indrukwekkende documentatie presenteren van het slavenschip de Amersfoort: de routes die het aflegde, het Portugese schip dat het enterde om er de slaven van over te nemen, de plaatsen op de wereldkaart waar slaven werden ingeladen en afgeleverd, de aantallen doden enzovoort. Een stukje zeventiende-eeuwse geschiedenis dat op deze manier angstig dichtbij komt.

Andere kunstenaars tonen ons de Zuid-Afrikaanse samenleving zoals die nu is: het familieleven in de townships, getekend en geschilderd door Ateliers-deelnemer Neo Matloga, de fraai gefotografeerde havenpanorama’s van Ashley Walters die bij nader inzien een beeld geven van mannen die door schroot te verzamelen een centje proberen te verdienen, en de straatbeelden in zwart-wit van fotograaf Sabelo Mlangeni. De verlatenheid van de voorsteden van Johannesburg bezit, zoals hij zelf zegt, een verborgen schoonheid, maar wat we zien is geen openluchtmuseum. Het zijn spooksteden, onleefbaar geworden door een gebrek aan werkgelegenheid.

Bij elkaar biedt Tell Freedom een veelzijdige kijk op Zuid-Afrika die melancholisch stemt. Het is goed dat kunstenaars en schrijvers gebruik blijven maken van de vrijheid van meningsuiting, het is noodzakelijk dat zij over vrijheid blijven vertellen. Zij moeten ook zichzelf bevrijden van de last van een geschiedenis die niet meer weggaat, werken aan de culturele en economische ontwikkeling van het land en proberen te komen tot verzoening. Gemakkelijk gezegd vanuit ons perspectief, en daarom niet minder waar. De tentoonstelling biedt, in de woorden van Mabaso, ’an empathetic portal for you to arrive at all the violences and injustices that you are privileged to not have to confront.’ Hoeveel gemengde gevoelens het ook oproept, laten we er in elk geval binnengaan en onze ogen niet sluiten.

Eén gedachte over “Onrecht dat we niet hoeven te zien”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *