Stedelijk gaat proberen ontwerpfouten te herstellen

stedelijk-museum-051461316731_398608163

De uitbreiding van het Stedelijk Museum werd vier jaar geleden onthaald als de volmaakte oplossing voor een gecompliceerde opgave: een entree aan het Museumplein, veel meer expositieruimte, meer publieksfuncties in het gebouw en ruimte voor een restaurant dat los van het museum geëxploiteerd kan worden. De gekozen vorm was bijna te mooi om waar te zijn: het toegevoegde volume aan het Museumplein is een glazen doos waarin slechts enkele pijlers een enorm wit dak dragen. Van alle praktische functies die de nieuwbouw noodzakelijk maakten, is aan de buitenzijde niets te zien. En toch zijn ze er.

Maar dit voordeel, mogelijk gemaakt door nieuwe bouwtechnieken, bleek toch ook zijn nadelen te kennen, en daar hoorden we sindsdien niets van. De museumstaf heeft ze nu toch onderkend. Een herinrichting in 2017 moet er een oplossing voor bieden. Blijft de vraag of deze problemen niet al in de ontwerpfase te voorzien zijn geweest. Zoals zo vaak heeft een onverwacht en schitterend ogend ontwerp tot gevolg dat de opdrachtgever de ogen sluit voor de aspecten die de bruikbaarheid, het uitzetten van een logische route, de maatvoering van de ruimte en het toelaten van daglicht in de weg staan. Museum De Fundatie in Zwolle is een ander voorbeeld: briljante oplossing voor een niet bestaand probleem. Het wel bestaande probleem van te weinig expositieruimte is er niet mee verholpen, want de nieuwe dakkoepel is voor de meeste kunstobjecten ongeschikt.

Mijn ervaring bij het bezoeken van het nieuwe Stedelijk is vanaf het begin geweest dat er op een aantal plaatsen frictie optreedt. Ik weet niet of ze precies overeenkomen met de problemen die het museum zelf ervaart, maar ik geef ze als toegewijd bezoeker en ik ben benieuwd of en hoe ze komend jaar worden aangepakt.

1 de glazen doos. Die lijkt een geweldig uitnodigend gebaar naar de bezoeker, maar in werkelijkheid heeft het museum nu geen entree. Er is een nondescript plein ontstaan dat geen helderheid schept over de functies die erin zijn ondergebracht en al helemaal niet over een te volgen route. Er is een trappenhuis dat niet naar een zichtbaar doel leidt en er is de toegang tot een oudere museumzaal die evengoed de vraag oproept waar men is beland.

2 de onvindbare expositiekelder.Vraag een willekeurige museumbezoeker hoe je in deze kelder komt en hij zal er geen antwoord op weten. De meest tot de verbeelding sprekende toegang, de roltrap, is een trap van niets naar nergens die boven uitkomt op een totaal willekeurige plek. Om van daar naar de de expositiezalen te komen moet je nota bene een conventionele trap beklimmen.

3 de ongeproportioneerde expositiekelder. Het extra volume dat het museum nodig dacht te hebben voor exposities heeft het gekregen in de vorm van een betonnen bak waarin naar believen wanden, vitrines en podia kunnen worden geplaatst. Dat is heel praktisch gedacht, maar goede architectuur onderscheidt zich juist door de inherente kwaliteiten van een gebouw. Zulke kwaliteiten zijn hier afwezig. Er is geen maatvoering, geen route, geen daglicht, er is niets uitnodigends. Er is alleen een deprimerende, claustrofobische betonnen bak onder de grond. Zou het niet mogelijk zijn er een glazen dak op te leggen?

stedelijk-museum-dwarsdoorsnede

4 de erezaal van het oude Stedelijk. Voor de jonge lezers: in de tijd van de directeuren Sandberg en De Wilde kende een bezoek aan het Stedelijk een hoogtepunt en dat was het betreden van de erezaal: de grote zaal waar je inloopt als je bovenaan de monumentale, witmarmeren trap staat. Of er nu collectiestukken hingen of een deel van een tentoonstelling, alles culmineerde hier in een totaalervaring van thematiek, licht en ruimtelijke balans. Het was een zaal om naar terug te keren aan het einde van je bezoek. Daar is niets van over, om de simpele reden dat de zaal nu een verkeersknooppunt is geworden met maar liefst vijf openingen waarvan vier naar belendende zalen. Het effect is vergelijkbaar met het aanleggen van een rotonde op de Dam. Een doodzonde.

Hoe nu verder? Er moet weer een herkenbare scheiding komen tussen verdeelruimtes zoals gangen en trappenhuizen, en de tentoonstellingscircuits. Dat moet het doel zijn van de herinrichting. En ik hoop dat men inziet dat niet elke ruimte van bepaalde afmetingen met witte wanden vanzelf een geschikte museumzaal is. De kunst mag ons verrassen, maar de ruimte moet ons veroveren.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.