Vanessa Jane Phaff, Speak, Butterfly

Tentoonstelling Vanessa Jane Phaff, Speak, Butterfly, t/m 9 juli 2016 in Galerie Plaatsmaken, Arnhem

beeld pers

Butterfly Fence, 2015

Wanneer Vanessa Jane Phaff uit haar atelier tevoorschijn komt om een tentoonstelling in te richten, dan heeft ze wat besloten. Dan is er meer aan de hand dan dat de gelegenheid zich voordeed. Zij exposeert niet zomaar op afroep. Behalve scheppend kunstenaar is ze ook denkend kunstenaar. Haar werk is tweeledig. Hoofdzakelijk is het de stroom van beelden waarmee ze haar website voedt (www.vanessajanephaff.com) die voortkomt uit een continu proces van denken, lezen, beeldmateriaal verzamelen, knippen, tekenen, fotograferen, combineren en weglaten. Daaruit komen de werken voort, vaak linosnedes, die geschikt zijn om te exposeren. In die tweede categorie zijn thematiek en techniek op intrigerende wijze met elkaar verbonden. Maar deze linosnedes komen langzaam en één voor één.

Bij Plaatsmaken in Arnhem toont ze nu een kleine serie linoleumdrukken, collages en tekeningen. Het is een expositie die indruk maakt om meerdere redenen. Er is iets dreigends in de scherpe, harde en suggestieve manier van tekenen. Een begeleidend tekstblad gaat in op achtergronden en bronnen die, volgens de kunstenaar zelf, ‘raken aan wat ik in mijn werk onderzoek.’ De titel van de tentoonstelling, ‘Speak Butterfly’,  is bedrieglijk laconiek.

Er zit een dubbele bodem in die eenvoudig klinkende formule ‘wat ik in mijn werk onderzoek’.  De personages in Phaffs werk zijn jonge meisjes. Expliciet in de toelichting, en waarschijnlijk impliciet in de voorstellingen, komen onderwerpen aan de orde als verkrachting, verminking, perversie, lichamelijk geweld en de mannelijke definitie van vrouwelijk schoon. Dat zet de deur open naar moderne disciplines als de ‘politics of bodies’ – in mijn woorden: de manier waarop  een maatschappij structuren en strategieën in stand houdt om mensen te onderdrukken door hen op lichamelijke kenmerken aan te spreken. Maar wat een kunstenaar uiteindelijk onderzoekt is hoe een onderwerp op de meest effectieve manier in beeld gebracht kan worden. Theorieën en wetenschappelijke studies zijn daaraan ondergeschikt. Vanessa Jane Phaff bevestigt die opvatting door zwart op wit te verklaren dat zij twijfel laat bestaan aan haar eigen betrouwbaarheid als verteller.

Zij kiest niet de gemakkelijke weg van de politieke correctheid die slachtoffers tegenover daders plaatst. Alle feitelijkheden over daden en daders blijven onbenoemd. We zien personages met de gezichtstrekken en motoriek van poppen in ongemakkelijke situaties, over wier emoties, angsten en fantasieën Phaff de regie voert. De bronnen die zij citeert, waaronder Lolita van Nabokov en het mysterieuze laatste werk van Marcel Duchamp, Étants donnés, waarin het ontklede lichaam van een vermoord meisje door het sleutelgat van een poort te bespieden is, heeft ze zeker uit fascinatie gekozen. Zij bewerkt herkenbare motieven uit de literatuur en de kunstgeschiedenis die voor meerduidige uitleg vatbaar zijn. Identieke fragmenten krijgen als kopie of afdruk in verschillende contexten een nieuwe betekenis. Daarbij komt de dubbelzinnigheid tegenover de kijker, het spel van tonen en verbergen.

‘Er is geen origineel, geen zekerheid omtrent wat er gebeurt of gebeurd is. Er is geen identiteit die vast te pinnen is als een vlinder.’, zegt Phaff daarover zelf. En ze citeert  Nietzsche: ‘Er is geen wezen achter het handelen….’. Wat maakt dan haar werk zo onontkoombaar en haar boodschap zo onaangenaam? Dat moet liggen in de mogelijkheid dat dat magere, buigzame meisjeslichaam een afsplitsing van haarzelf is en in het wrange beeldspel dat haar plaatst tussen het slachtoffer van een lustmoord en Dick Bruna’s Nijntje met dat dichtgenaaide mondje. De Nijntje-vergelijking is des te prangender als je de kleurige, cleane opgeruimdheid van het Bruna-concern ziet naast de bevlekte, vuile wereld waarin het Phaff-meisje verblijft.

Phaffs werk had in de beginjaren een Bruna-uitstraling en het was hard op weg een vergelijkbare populariteit te verwerven. Daar heeft zij zich tegen verzet door ondubbelzinnig de weg van het expressionisme in te slaan, de theatrale en groteske manier van tekenen van Max Beckmann waarin handen, houdingen en gezichtsuitdrukkingen zo’n veelzeggende rol spelen en waarin dezelfde, ondiepe ruimtewerking zit. Nu is het geen spel en geen sprookje meer wat we zien, maar de bittere ernst van een kind dat voor oud vuil achtergelaten lijkt en om wat voor reden dan ook volkomen in zichzelf is opgesloten.

Die werkelijkheid ombuigen in kunst vereist een scherp inzicht in de ongerijmdheden van het leven. Op dat punt is ineens weer veel mogelijk, al was het maar omdat vernietiging en onschuld samen kunnen gaan, net als ernst en theatrale pose. Ze treedt daarmee in de voetsporen van de jong overleden fotografe Francesca Woodman en voor mijn gevoel ook in die van dichters als Sylvia Plath en Ingrid Jonker.

‘Wat kan een samenleving aan denkbeelden onder ogen zien?’, is de retorische vraag die Phaff zelf opwerpt. Mij lijkt die vraag te anoniem gesteld. Wat kan en durft een individu onder ogen te zien, zou mijn tegenvraag zijn. Met die vraag moet het boze meisje zien te leven – en ik als toeschouwer ook.

Naschrift 20 juni 2016

Vanessa Jane Phaff reageerde met instemming op het bovenstaande stuk, maar signaleerde ook dat zij haar werk ‘in bepaald opzicht anders ervaart dan de meeste kijkers tot nu toe.’ In de gedachtewisseling die daarop volgde schreef ze ook: ‘Misschien moet ik accepteren dat mensen nu de zwartste scenario’s voor zich zien.’ Die opmerkingen hebben mij aan het denken gezet. Het is niet uitzonderlijk dat er ruimte zit tussen de intenties van een kunstenaar en de blik van de kijker. Maar als de meeste kijkers, waaronder zeker een aantal dat het werk hogelijk waardeert, er iets anders uithalen dan de maker bedoeld heeft, dan is er iets merkwaardigs aan de hand.

Laat ik voor mezelf spreken. Ik heb de waarschuwing die Phaff in het tekstblad bij de expositie heeft laten opnemen, niet serieus genomen. ‘Er is geen origineel, geen zekerheid omtrent wat er gebeurt of gebeurd is.’ Ik ben daaraan voorbijgegaan toen ik in mijn interpretatie begon over ‘feiten’, ‘daders’ en ‘slachtoffers’.  Waar geen feiten zijn, is het onzinnig over daders en slachtoffers te speculeren, temeer daar die zienswijze het pop-achtige wezen dat figureert in Phaffs werk en dat, zoals ik schreef, ‘misschien een afsplitsing van haarzelf is’, in de rol van slachtoffer dwingt.

Het is een reflex om bij zulke beladen fenomenen als verkrachting en lustmoord, waar Vanessa Jane Phaff zelf naar verwijst, te denken aan daders en slachtoffers, aan schuld en boete. Maar haar voorstellingen zijn geen historieschilderkunst.  Er wordt geen verhaal gereconstrueerd, de beelden zijn constructies waarin de kunstenaar speelt met thema’s die het aan de koffietafel slecht doen. Het resultaat van dat spelen is meerduidigheid. Beeldend zitten de voorstellingen vol dubbelzinnigheden en in termen van betekenis dienen zich steeds nieuwe associaties aan.

‘Misschien moet ik accepteren dat mensen nu de zwartste scenario’s voor zich zien.’ – dat is eigenlijk een tragische constatering. Ik zag het zo zwart niet, dacht ik aanvankelijk. Maar als Phaff haar publiek uitnodigt de normerende kaders los te laten en als reactie zelf  neergezet wordt als iemand die haar eigen leed in geanonimiseerde vorm in beeld brengt, dan is dat misschien wel een zwart scenario.

Vanessa Jane Phaff stelt veel vragen en misschien is het daardoor dat ‘de kijker’ – ikzelf in elk geval – gaat shoppen bij wat hem het meest direct aanspreekt. ‘Wat kan een samenleving onder ogen zien?’, in die vraag heb ik een hint gezien naar het idee van collectieve schuld, waarin ik geen heil zie. Met een volgende vraag legt Phaff zelf de vinger op de zere plek: ‘In welke mate kan een individu binnen die samenleving worden wie hij/zij wil zijn?’ Uit de reacties op haar eigen werk blijkt al dat dat niet eenvoudig is.

Ik had mijn bespreking kunnen aanpassen, maar dan was dit punt onder het tapijt verdwenen. Mijn beschrijving van Phaffs ontwikkeling in de richting van een expressionistisch handschrift was adequaat, maar dit handschrift komt niet voort uit pijn. Het is haar engagement (zelf spreekt ze over activisme) dat haar boodschap letterlijk kracht moet bijzetten.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *