Zwarte mannen zwartgemaakt

Tentoonstelling Hans van Houwelingen, A Posteriori. Museum De Fundatie, Kasteel Het Nijenhuis, Heino, t/m 28 augustus 2016.

1002culhouwelingen

 

Hans van Houwelingen is bij het grote publiek bekend om zijn ingrepen in de openbare ruimte waarin hij de omgang met een beladen verleden, monumentaliteit en gemeenschappelijke waarden ter discussie stelt.  ‘De held in het ene tijdperk is de schurk in het andere’, die zinsnede haal ik uit het vouwblad van Kasteel Het Nijenhuis in Heino, waar Van Houwelingen zich met de collectiepresentatie heeft mogen bemoeien. Het is de kunst – meer bepaald zijn kunst –  om verder te gaan dan blanke reputaties van weleer zwart te maken. Van Houwelingen is geen beeldenstormer die oude helden zonder pardon naar de mestvaalt van de geschiedenis verwijst.  Hij maakt het beeld dat wij van hen hebben menselijker waardoor wij beter in staat zijn de status van het beeld, het standbeeld, het monument, naar de maatstaven van nu te waarderen.

De collectie Hannema in Het Nijenhuis, de grondslag van wat later Museum De Fundatie is gaan heten, behoort tot het publieke domein. Dirk Hannema was ooit een beroemde kunstkenner, Vermeer-specialist en directeur van Museum Boymans in Rotterdam die tijdens de Tweede Wereldoorlog van zijn voetstuk viel. De uitnodiging aan Hans van Houwelingen om zijn licht te laten schijnen over deze geschiedenis valt wel te verklaren. Maar de opgave is gecompliceerd. Hannema heeft hier gewoond en hij legde de basis voor de collectie en de inrichting van het museum, maar zijn levensverhaal en reputatie zijn niet gemakkelijk in een paar zinnen samen te vatten. Daarbij komt de vraag of het typische publiek van kasteel- en beeldentuinbezoekers geïnteresseerd  is in, laat staan voorbereid op een polemische benadering van het hier gekoesterde erfgoed.

Van Houwelingen heeft de verleiding niet kunnen weerstaan de inrichting van een aantal zalen uit te breiden met eigen werk. Daarnaast heeft hij een aantal toeschrijvingen van kunstwerken aangepast en op het voorplein van het kasteel twee sculpturen van plaats laten verwisselen. Het is teveel, zeker als je bedenkt dat er nog twee tentoonstellingen lopen en dat er een zaal gevuld is met een bijzondere glazen tafel van Jan Fabre. De boodschap van A Posteriori, de gedachten achteraf van Hans van Houwelingen, blijft daardoor te diffuus. Om de opzet te doorgronden moet je nogal wat teksten lezen en je liefst nog verdiepen in de biografie van Dirk Hannema. Ik heb veel bezoekers schouderophalend door zien lopen.

Visuele overtuigingskracht hebben de ingrepen van Van Houwelingen slechts op twee plaatsen. Een figuur met zonnewijzer van Ossip Zadkine heeft zijn plaats moeten afstaan aan een uit grijze steen gehouwen Surinaamse man, naakt met alleen een lendendoek om. Dit beeld houdt zich heel goed op deze prominente plaats voor het kasteel. Binnen is een marmeren beeld van opnieuw een zwarte man te vinden, een kopie van een lastdrager die het grafmonument (uit 1665-1669) ondersteunt van de Venetiaanse Doge Giovanni Pesaro. Het stelt een man voor, zijn lichaam in zwart marmer, zijn kleding wit, die hoofd en schouders buigt om er een zak graan op te laten rusten. Vier van zulke Atlassen dragen een tweede verdieping van het grafmonument, dat de Doge en diens entourage van heiligen en deugden verbeeldt. Van Houwelingen heeft hem bovenop de zak graan nog eens elf zakken Surinaamse rijst te dragen gegeven. Om zijn pols draagt hij nu een gouden Rolex-horloge.

Zowel de Surinamer als de lastdrager zijn mooie, sterke beelden. Ik ben het niet eens met de omschrijving in het tekstblad (tekst van Mihnea Mircan) dat de onaanzienlijke neger een ‘onhandige sculptuur’ zou zijn, gemaakt uit de ‘modernistische preoccupatie met primitivisme’. Ik vind het een beeld dat is gemaakt met aandacht voor de zichtbare werkelijkheid en de figuur die is uitgebeeld. Michiel de Ruyter in zijn onderbroek zou er beslist slechter hebben uitgezien.

Een dergelijk misverstand speelt ook bij de graandrager. Mircan noemt zijn houding die ‘van een echte Afrikaanse slaaf’, met ‘trekken van onmenselijke lichamelijke inspanning’. Ik weet niet hoe je een echte Afrikaanse slaaf van een onechte onderscheidt, maar deze mansfiguur is nobel en sterk, volkomen capabel om die zak graan en het graf daarboven te dragen. De ‘historische misvattingen’ die Van Houwelingen aan het licht zou moeten brengen in Heino, worden nu door zijn woordvoerder zelf aangedragen. Diens blik is gekleurd door een politiek correcte kijk op het slavernijverleden, waarvan ik niet precies weet waarom het juist in deze context aan de orde gesteld moet worden. Maar nu het toch gebeurt, en nog wel met twee voorbeeldige sculpturen, zou ik Van Houwelingen een ander gezichtspunt willen voorleggen. Wat nu als we de ‘neger’ en de ‘echte Afrikaanse slaaf’ eens zien als krachtige mensen die hun rol van eenvoudige arbeider energiek vervullen? Als we ze nu eens konden zien als equivalenten van de Dokwerker? Dat is toch ook een anonieme man van het volk, een lastdrager en belastingbetaler, vanuit marxistisch gezichtspunt een echte slaaf van het grootkapitaal, en daarnaast een onverzettelijke burger waarop onze maatschappij in slechte tijden kan bouwen? Waarom is de Dokwerker een held en de Surinaamse man een onhandig excuusbeeld? Waarom zou de zwarte Venetiaan moeten bezwijken onder een onmenselijke inspanning? Bezwijken is nu precies wat hij niet doet en daarbij is hij een toonbeeld van karakter en schoonheid.

De tekst van Mircan wemelt van dit soort denigrerende opmerkingen. De hertjes van Van Meegeren komen uit een ‘kleinburgerlijke omgeving’ en hebben ‘decennialang het volk verblijd’. Waar slaat dat op? Voor Hannema, zegt Mircan, waren schilderijen ‘een bevestiging van zijn professionele superioriteit’. Voor Van Meegeren waren het ‘meesterwerken om aandachtig en heimelijk te bestuderen, hun behendigheid te kopiëren, hun talent te imiteren.’  Moeten we Hannema kapittelen omdat hij een autoriteit was op zijn terrein en Van Meegeren omdat zijn autoriteit en ambachtelijkheid hardnekkig werden miskend?

Van Houwelingen – en Mircan in zijn voetspoor, of in zijn opdracht – hebben ‘een vochtig spoor van moralisme’ willen blootleggen rondom de geschiedenis van Dirk Hannema en zijn kunstcollectie. Volgens mij gaat het om een spoor dat zij er zelf achtergelaten hebben, waardoor aan alles wat ze hebben aangeraakt nu een smet kleeft. Ik begrijp wel dat de benadering van Hans van Houwelingen niet zonder moralisme kan. Maar ik mis in Heino een diepgaande belangstelling voor Hannema en zijn collectie, en respect voor de museale presentatie. Dit is geen tentoonstelling, dit is stickertjes plakken. Als je iets wil zeggen, haal dan alle ‘eigen’ werken van Van Houwelingen eruit, laat alle gemakzuchtige verwijzingen naar Vermeer en Van Meegeren weg. Geef de Surinaamse en de Venetiaanse zwarte man een ereplaats en kom met een goed verhaal.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.