Toen kón bloot nog!


Boekrecensie: Ted van Lieshout, Bloot, 2020

Ted van Lieshout ken ik als de auteur van lichtvoetige romans en kinderboeken die zich nu eens richting poëzie beweegt, dan naar de autobiografie, en die soms ook speelt met kunst zoals in zijn beeldgedichten. Tussen de regels door is altijd een pleidooi te lezen voor ruimdenkendheid, vooral als het gaat om mensen die een andere seksuele belangstelling hebben dan wat als de norm wordt beschouwd. Zou zijn nieuwste boek Bloot het onderwerp naakt in de beeldende kunst aan een breder publiek kunnen presenteren?

Bloot is niet geworden wat Van Lieshout oorspronkelijk in gedachten had, namelijk een boek voor tienjarigen. Wat hij ervan zegt, en dat is best veel, klinkt niet als een goed doortimmerd plan. De persoon met wie hij hierover correspondeert moet alle zeilen bijzetten om hem bij de les te houden. Wat wil hij nu eigenlijk?

‘Ik verzamel informatie en anekdotes over werken waarvan ik denk dat kinderen ernaar zullen willen kijken, bedenk er luchtige verhaaltjes over, en vergaar extra weetjes voor in bijschriften. Over het kleurgebruik of de compositie, de tijd waarin het werk is gemaakt, enzovoort.’ Dat lijkt inderdaad een slecht plan. Wie kinderen iets duidelijk wil maken over kleurgebruik en compositie kan beter een minder beladen onderwerp kiezen. Bloot leidt in dat geval enorm af. Of had hij toch het idee de lessen kunstbeschouwing te gebruiken om een achterliggende boodschap over te dragen? Elders schrijft hij: ‘Ik wil flink veel ruimte maken in mijn boek voor anekdotes die te maken hebben met kunst die door de geschiedenis heen verboden of aangepakt werd omwille van het bloot.’

Wat moeten kinderen daarmee? Het wordt nergens helder.

Om de verwarring nog groter te maken begint Van Lieshout zijn betoog, of zoektocht, met een prent van het galgenveld bij Amsterdam in 1535, waarop tientallen naakte lichamen van terdoodveroordeelden aan hun voeten zijn opgehangen of op een rad zijn gespiesd. Totaal ongeschikt om het onderwerp bloot in de kunst aan te kaarten. Het is ook helemaal geen voorbeeld van kunst die ‘verboden of aangepakt’ werd. Zulke prenten, die in allerlei varianten zijn verspreid, waren bedoeld als propagandamateriaal van een wreed stadsbestuur, vergelijkbaar met de onthoofdingsvideo’s waarmee terroristen tegenwoordig de publiciteit zoeken. In de zestiende eeuw werden met name de wederdopers bij tientallen ter dood gebracht om hun subversieve staatkundige opvattingen en hun eigenaardige gewoonte zich naakt en luid schreeuwend op straat te begeven.

Als je deze ingrediënten van Bloot bij elkaar optelt, kun je moeilijk anders concluderen dan dat Ted van Lieshout een knutselaar is die wel ziet waar hij uitkomt. Hij doet niet erg zijn best om die indruk te ontkrachten. ‘Als aan het eind het boek blijkt te gaan over het breien van sokken’, vertrouwt hij zijn penvriend toe, ‘dan suggereer ik dat ik van meet af aan van plan was een boek te schrijven over breien.’

Een boek over breien is het niet geworden. Wat is het onderwerp dan wel? In de vorm die het nu heeft aangenomen gaat het over het voornemen een boek te maken over bloot voor tienjarigen. Van Lieshout laat zich bijstaan door een al te hulpvaardige archivaris die materiaal aandraagt, vragen stelt en kritiek levert. Zo bereidwillig als deze figuur tijd vrijmaakt om de auteur te helpen met zijn boek, zo weigerachtig toont hij zich als Van Lieshout meer van hem wil weten. Wanneer hij de vragen beu is waar hij woont, wat voor werk hij doet en uiteindelijk ook hoe hij (of zij?) werkelijk heet, speldt hij Van Lieshout – en de lezer – iets op de mouw dat een pagina verderop alweer een leugen blijkt en dat bovendien met het onderwerp van dit boek niets te maken heeft. Die uitstapjes passen wel in de tweede verhaallijn van het boek, namelijk de vraag wat anderen van een mens mogen weten. Is Ted van Lieshout in zijn boeken en interviews niet te openhartig over zijn privéleven? Zou het nuttig zijn als hij zijn persoonlijke archief na zou laten aan het Letterkundig Museum? Mag hij informatie achterhouden en zelfs laten verdwijnen om het beeld dat latere generaties van hem zullen hebben, bij te kleuren? Maakt het bij al dit gepieker iets uit of je schrijver bent en dus tot op zekere hoogte in de schijnwerpers staat, of een bescheiden archivaris?

De manier waarop Van Lieshout deze zaken aan de orde stelt en laat bungelen is onderdeel van het charmante dubbelspel dat hij speelt in dit boek. Je zou zelfs kunnen denken dat deze plot het uiteindelijk heeft gewonnen van het idee om een boek over bloot te maken. Maar dat strookt niet met zijn opmerking over het breien van sokken. Als het onderwerp gaandeweg veranderde, dan zou hij de lezer daarover inlichten. Vergeten we dus alle dwaalsporen rond kleurgebruik, sokken en dubbele bodems, zodat we ons kunnen concentreren op wat het boek te zeggen heeft over bloot in de kunst. 

Dat valt me niet mee. Het valt eigenlijk heel erg tegen.    

De keuze om kunst te bespreken waarover anekdotes de ronde doen brengt Van Lieshout bij een aantal bekende werken: het Lam Gods-altaar van de gebroeders Van Eyck, prenten van Dürer waaronder het zelfnaakt ten voeten uit, de schilderingen van Michelangelo in de Sixtijnse Kapel, doeken van Goltzius, Van der Goes, Titiaan, Giorgione, Fouquet, Courbet en Boucher. Antieke sculpturen zoals de Venus van Milo naast beelden van Bernini, Rodin en Marc Quinn. Foto’s van de performance Imponderabilia van Marina Abramovic en Ulay, waarbij de bezoekers zich tussen hun naakte lichamen door naar een andere zaal mochten begeven. Mij valt in de verhalen die hij opdiept vooral de sensatiezucht op. Waarom had de Adam van Michelangelo zo’n kleine piemel? Stelt de Venus van Urbino van Titiaan werkelijk de vrouw voor van de hertog die het bestelde? Of heeft Titiaan haar lichaam ingeruild voor een gaver exemplaar?

Deze onwetende-buitenstaander-benadering wekt de schijn dat er veel zogenaamd verborgen betekenissen worden onthuld, terwijl er in werkelijkheid juist veel over het hoofd wordt gezien. Zo is het mooier maken van figuren een essentieel kenmerk van de oudere kunst, en de reden daarvoor is niet allereerst cosmetisch zoals Ted van Lieshout schijnt te denken, maar didactisch. Geen enkele hertog gaf opdracht zijn echtgenote te schilderen zoals zij er ongekleed uitzag, zelfs niet als ze het lichaam van een fotomodel had.

Wie op zoek gaat naar de achtergronden van het geschilderde vrouwelijk naakt, zal ontdekken dat het model staan voor een schilder dezelfde status had als prostitutie. De betekenis van veel geschilderde personages, of ze nu mythologisch, bijbels of anoniem waren, werd dikwijls in diezelfde richting uitgelegd. De boetvaardige Maria Magdalena is er slechts een voorbeeld van. Zij werd niet naakt afgebeeld, maar haar decolleté herinnert vaak nog aan haar losbandige voorgeschiedenis.

Zo had ook het afbeelden van lichamelijke schoonheid opvoedkundige waarde. Daar gaat Van Lieshout aan voorbij bij zijn bespreking van Phryne voor de Areopagus van Jean-Léon Gérôme. Deze vrouw uit de Griekse oudheid moest zich voor een rechtbank van vijfhonderd mannen verantwoorden voor het feit dat ze zich zou hebben misdragen. Ze werd, zegt Van Lieshout, vrijgesproken nadat haar advocaat de rechters had verleid door haar borsten te ontbloten. Er is een meer plausibele lezing van deze geschiedenis. De beeldhouwer Praxiteles werd ervan verdacht minachting voor de goden te hebben getoond door een beeld te maken van een badende Aphrodite. Haar schoonheid was goddelijk, maar zijn model zeer menselijk, namelijk de courtisane Phryne. De ontbloting voor de rechtbank, van haar hele lijf en niet alleen haar borsten, diende om de rechters ervan te overtuigen dat Praxiteles niet de schoonheid van de goden had gestolen. Het blijft een idioot verhaal, maar zo plat als het in Bloot wordt voorgesteld is het niet.

Wie anekdotes doorvertelt, draagt vanzelf ook de oordelen en vooroordelen over die daarin besloten liggen. Zo vliegt Van Lieshout uit de bocht bij zijn verhalen over Mademoiselle Lange, ‘beroemd om haar talent en schoonheid, en ook om de rijke mannen in haar leven.’ De schilder Anne Louis Girodet zou haar aan het einde van de achttiende eeuw tweemaal hebben geportretteerd, een keer als Venus, en nog eens als Danaë. Ted van Lieshout komt er, door suggestief interpreteren van allerlei details, op uit dat Girodet haar als hoer heeft uitgebeeld. De vraag is niet of die uitleg klopt. Belangrijker is waarom Van Lieshout zich met dit soort achterklap en stigmatisering ophoudt. Waar blijft hij met zijn ruimdenkendheid waar het gaat om homo’s, pedofielen en exhibitionisten, wanneer hij met zoveel smaak verhalen opdist over vrouwen die hun status ontlenen aan relaties met mannen en die zich door schandalen een plaats in de geschiedenis hebben verworven?

Schande en schaamte zijn op een hinderlijke manier door het hele boek gevlochten. Van Lieshout is er niet klaar mee. Hij stelt de preutsheid van deze tijd aan de kaak, maar doet er zelf volop aan mee. Van een modeltekening die hij lang geleden maakte en die hij vaak toont tijdens lezingen op scholen, heeft hij de tepel weggesneden om gegiechel te voorkomen. Zijn plan voor het blootboek, zo schrijft hij, dateert van lang geleden. ‘Toen kón bloot nog! Nu eigenlijk niet meer; daar ben ik me wel bewust van.’ Zo schaart een zelfverklaarde vrijdenker zich volgzaam in het kamp van de moralisten. Er is geen reden te bedenken waarom een boek over bloot niet zou kunnen. Hij heeft het niet aangedurfd. In plaats daarvan trakteert Van Lieshout ons op een boek vol overbekende plaatjes met een boel oudewijvengeklets eromheen. Ik vind niet dat alles moet kunnen. Zo’n boek als dit, bijvoorbeeld, dat kan echt niet meer.   

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.