Een onbedoeld contrast

Tivolipark in Ljubljana

Ik was een paar dagen in Ljubljana. Mooie stad waar een paar dagen na mijn vertrek in een paviljoen in het Tivolipark de internationale grafiekbiënnale geopend zou worden. De laan die er vanuit de binnenstad naartoe voert is voorzien van tientallen fotopanelen waarop, neem ik aan, door het jaar heen wisselende exposities te zien zijn.
Eén van de huidige presentaties, zag ik tot mijn verrassing, geeft een beeld van hoe Nederland met het water omgaat. Mooie foto’s van dijken, sluizen, kanalen, feestvierende Amsterdammers en op bootjes en stranden recreërende, weldoorvoede types die oranje kleuren op koninginnedag of rood op het strand. Eén van de in het Sloweens en Engels vertaalde bijschriften meldt: ‘In Nederland zegt men: God schiep de aarde maar de Nederlanders schiepen Nederland.’
Een tweede fotoserie, direct daarnaast, toont beelden van Afrika. Even clichématig als die over de Nederlandse strijd tegen het water: zwarte mensen die wachten, treuren, bedelen om eten of trots poseren met wapens. Bijschrift: ‘Afwachten wat de wereldleiders hen te bieden hebben.’
Onwillekeurig vroeg ik me af of dit contrast tussen zelfscheppende Nederlanders en hulpeloze Afrikanen zo bedoeld was. Vast niet. Ik voelde een lichte walging over onze zelfgenoegzaamheid en ‘ons’ Europese beeld van de Afrikaan die te beroerd is zelf de hand aan de pomp te slaan, polders droog te leggen en drinkwatervoorzieningen te regelen Volgens mij moeten ‘wij’ die deze tegenstelling in stand houden eens gaan kijken hoe zij zich door het leven slaan of, als het bij ons dan toch zoveel beter is, hen uitnodigen ons feestje mee te komen vieren.

de verleiding van net echt (vervolg)

Nog even over Danh Vo (zie ook De verleiding van net echt, 3 augustus 2015). Rutger Pontzen in De Volkskrant:’Vo vindt het belangrijk dat zijn kunst door anderen wordt gemaakt. Door ambachtslui zoals zijn vader, Phung Vo, die alle teksten voor zijn zoon kalligrafeert. Maar ook door anderen, arbeiders in zogenoemde lagelonenlanden of lagekostenlanden (afhankelijk vanuit wiens perspectief je het bekijkt). En dat dat goedkoop gemaakte werk daarna op de Westerse kunstmarkt voor enorme prijzen van de hand gaat. Het zegt iets over Vo’s interesse voor de mondiale economie.’ Tja. Ik zou zeggen: het zegt iets over Vo’s interesse voor zijn eigen bankrekening.
Volgens Pontzen heeft Vo’s werk ‘reminiscenties aan zijn jeugd in Vietnam, zijn familiegeschiedenis aldaar, zijn vlucht naar Europa (…), kolonialisme, migratie en culturele identiteit, net zozeer als homoseksuele relaties, gedragsnormen in het algemeen, de maatschappij als geheel en de context van de kunst in het bijzonder.’ Kort samengevat: Vo verkoopt reminiscenties aan alles. Maken doet hij niets.

kunstenaar onbekend, red and black
kunstenaar onbekend, red and black

[5 augustus 2015] De Volkskrant van gisteren moedigt de lezer aan voortaan kunst te kopen via internet. ‘We willen een werk met schakeringen van rood. Abstract, maar het mag lijken op een lucht of landschap. Liefst in olieverf.’
Welja, wat maakt het uit? Abstract, en lucht, en landschap. Dat is het niveau waarop het gesprek over kunst tegenwoordig blijft steken.

 

 

De verleiding van net echt

‘Wie tegenwoordig een museum voor hedendaagse kunst bezoekt, een biënnale, een kunstbeurs of kunstmarkt, moet opmerken dat heel veel kunst van nu sprekend lijkt op een stukje van de werkelijkheid. Veel ervan heeft een foto als uitgangspunt, zelf gemaakt of uit de krant geknipt of als still uit een film of televisieprogramma gekozen. Wanneer het gaat om een foto dan is er dikwijls een knipoog naar de schilderkunst. Andersom zijn er kunstenaars die een foto kunnen naschilderen met een ongelooflijke perfectie. Je hebt beeldenmakers (de term beeldhouwers wekt hier een verkeerde indruk) die een bestaand voorwerp afgieten, of namaken, of in China laten kopiëren, die maquettes bouwen van bestaande of gefantaseerde gebouwen, die met piepschuim marmer kunnen nabootsen en met een gebogen metaaldraad en een lamp de David van Michelangelo als schaduw op de muur kunnen projecteren. Er zijn beelden die in een schijnbare wirwar van draadmateriaal een menselijke figuur laten opdoemen. Al deze werken hebben, ondanks hun verscheidenheid in voorstelling en techniek, een aspect gemeen: ze appelleren aan de verbazing van net echt.’
Dit citaat komt uit een hoofdstuk van een boek waaraan ik werk, dat gaat over kunst gebaseerd op kunde versus kunst als idee. Nog altijd rust er een taboe op het tekenen naar de waarneming – zogenaamd omdat de fotografie dat overbodig zou hebben gemaakt -, terwijl een groot deel van de hedendaagse kunst bestaat uit gemakzuchtige citaten, ontleningen en kopieën. De lijst van voorbeelden groeit dagelijks en ik wil eens een poos bijhouden wat ik zoal tegenkom.

Afgelopen weekend in De Groene: ‘Ryan McGinley, foto’s van een onechte wereld die er heel echt uitziet.’
En in De Volkskrant van afgelopen zaterdag een interview met Danh Vo naar aanleiding van zijn conflict met verzamelaar Bert Kreuk. ‘Hij toont het pronkstuk van zijn show [in Museum Ludwig in Keulen], een fragment van het Vrijheidsbeeld, levensgroot gekopieerd. De oksel welteverstaan, corresponderend met de oksel van een stervende travestiet op een foto van Peter Hujar elders in de zaal.’
Ik houd me aanbevolen voor meer voorbeelden. Kopieer ze en zend ze in als reactie op deze blog.

 

tekenles om snel te vergeten

NRC-Handelsblad zaterdag 30 mei 2015

‘NRC-tekenaar Siegfried Woldhek geeft deze zomer tekenles in (bijlage) Lux’, luidt de blije aankondiging in de NRC van afgelopen zaterdag. Woldhek wil er alvast dit over kwijt: ‘Het gaat er niet om dat een tekening lijkt. Als je wilt dat iets lijkt, kun je beter een foto maken.’
Hoezo ‘gaat het er niet om’ dat een tekening lijkt? Wie zegt dat het daar niet om gaat? Woldhek dus, een rastekenaar van wie ik zo’n uitspraak niet zou verwachten. Hij maakt het nog erger: je mag niet willen dat ‘iets lijkt’, en doe je dat toch, dan raadt Woldhek je aan een foto te maken. Vreemd advies, want een foto lijkt eigenlijk nog het meest op een foto. Het is een heel eigen, in zekere zin beperkte blik op de werkelijkheid die je ook kunt gebruiken om iets wat zichtbaar is te documenteren. Maar een foto biedt geen uitkomst als je wilt dat een tekening ‘lijkt’.
Wat is er tegen op een tekening die lijkt op iets dat echt bestaat? Vermoedelijk vooral dat het moeilijker is dan zomaar wat te krabbelen. En dan zijn tien lessen via de zomerse krant misschien wat weinig. Dan kan Woldhek zijn belofte niet waarmaken dat ‘iedereen, echt iedereen, iets moois kan maken.’ Waarmee maar weer eens wordt bevestigd dat creativiteit en gemakzucht elkaars partners zijn in de slag om de vrijetijdsmarkt.
Wanneer een kunstwerk zou moeten lijken op iets bestaands, en het net niet doet, zal het snel voor mislukt doorgaan, ook al is het op zichzelf nog best ‘iets moois’. Tja. Ambitie komt nu eenmaal niet zonder risico’s. Wat mij betreft is elke tekening die zonder kans op mislukken is gemaakt bij voorbaat een prul.

No MORE, Mr. Nice Guy

Hermanus Berserik, Portret van een camera aan zee, 1972
Hermanus Berserik, Portret van een camera aan zee, 1972

Openingstentoonstelling Museum MORE, Gorssel

Wie de aangegeven route volgt in het nieuwe museum More in Gorssel, merkt dat de zalen steeds ruimer worden. Zaal 1 is de kleinste, waarin met tijdelijke wanden ook nog een kleiner kabinet is afgeschot. Zaal 2 heeft een halfopen wandenstructuur, net als zaal 3, maar die heeft al bijna het dubbele formaat van de eerste ruimte. En daar, achterin zaal 3, bij een paar voorstellingen van Hermanus Berserik, slaakte ik opeens een zucht. Het kwam van heel diep en ik realiseerde me direct dat het de spreekwoordelijke zucht van verlichting was die zich aan mij voltrok. Mijn lichaam reageerde primairder dan mijn geest.
Alles wat er hangt in dit museum, tenminste waar het om het vooroorlogse gedeelte gaat, is mij meer dan bekend. De nieuwe eigenaar Hans Melchers heeft er een passende behuizing voor gemaakt, wat Dirk Scheringa op het nippertje niet lukte, maar de collectie heb ik zo vaak gezien dat ik haar zou kunnen dromen. Gelukkig doe ik dat niet want hier, in deze museale omgeving, viel me de zwaarmoedigheid op die rond dit Nederlandse realisme hangt. Het gebrek aan frivoliteit. De ware meesters ontsnappen eraan, zodat ik direct Jan Mankes, Dick Ket en – in zijn goede momenten – Pyke Koch moet uitzonderen, maar de domineesachtige, niet eens geveinsde ernst bij Charley Toorop, Carel Willink, Wim Schuhmacher, Raoul Hynckes, Johan Mekkink en hun potjes en eieren schilderende navolgers deed me nu ineens afvragen waar in hun dagen het plezier in het schilderen is gebleven.
Het was Berserik die me uit het dal trok. Waarom hij? Omdat zijn schilderijen nooit pretentieus zijn, niet deftig, niet belerend, maar eenvoudige en speelse observaties van bootjes, luchtschepen en instrumenten. Zijn Portret van een camera aan zee uit 1972 is in zijn onopgesmuktheid en aandacht voor de ouderwetse balgcamera op een driepoot, met op de achtergrond alleen die lage, rechtlijnige scheiding tussen lucht en water, een uitnodiging om lang te kijken. Naar de reflectie in de bolle lens, de vlakverdeling op het achterglas, de kreukels in de balg, het hout, het messing.
Berserik leefde in een andere tijd dan de hier te lande befaamde magisch realisten, minder onder de dreiging van oorlog en bezetting misschien, maar hij moest zich teweer stellen tegen een des te grotere afkeer van het figuratieve schilderen. In die storm is hij overeind gebleven. In zijn werk zie je niet alleen de fascinatie voor jongensachtige onderwerpen, maar ook het heilige geloof in het voortleven van de schilderkunst.
Dat MORE er niet in slaagt die prikkeling op de bezoekers over te brengen, moet directeur Ype Koopmans zorgen baren. Mijn conclusie na het zien van deze presentatie, en met mijn vijfendertig jaar kijkervaring achter de hand, is dat de canon van het Nederlandse figuratieve schilderen bijstelling behoeft. Losgemaakt van het loden gewicht van hun tijdgenoten rijzen de sterren van Mankes en Ket nog veel hoger, waar ze gezelschap kunnen krijgen van anderen die echt wat konden en kunnen.
Op de bovenverdieping laat MORE zien wie het als de legitieme erfgenamen beschouwt van het vooroorlogse realisme, en daar gaat het helemaal mis. De zelf opgelegde beperking tot ‘realisme’ is geen beperking, lijkt Koopmans te willen zeggen, want elk kunstwerk dat iets herkenbaars voorstelt valt erbinnen. Dat geeft hem een vrijbrief om vooral kunst te selecteren die uit is op morbide schokeffecten bij de kijker, niet schokkend door verbluffende en gewaagde interpretaties van oude thema’s, maar door de zucht tot namaak, afgekeken van filmrekwisieten en geënsceneerde fotografie.
Dat het museum geen kwalitatief onderscheid maakt tussen Jan Beutener en Annemarie Busschers geeft ernstig te denken. Het verschil tussen de nooit aflatende zoektocht van Philip Akkerman en de knip- en plakdecors van Jan Worst: idem. En het valt mij op hoe de schilderijen van Co Westerik elkaar afzwakken in plaats van versterken omdat hij steeds op hetzelfde beperkte klavier hamert.
Dit museum had, door realisme allereerst uit te leggen als kunst naar de waarneming, een nieuwe kwaliteitsstandaard kunnen zetten, een tegenwicht tegen alle museumcollecties met een eenzijdige nadruk op conceptualisme. Nu zelfs vakmanschap en een scherp oog voor de werkelijheid geen criteria blijken voor de MORE-collectie, is het onduidelijk wat het gaat toevoegen aan het Nederlandse museumlandschap. In deze collectie voelde ik opeens een verlangen naar een abstract doek, een vrolijke machine, een provocatie of een moment van verstilling.

Snacks en koele wijn

CoraMora
BEAT RIX

Hoera! We hebben een directeur in het Stedelijk Museum die communiceert. Althans, die benaderbaar is voor journalisten en instemt met interviewverzoeken. En die bovendien nooit nalaat te verklaren dat Amsterdam een bruisende stad is en de Amsterdammers echt van hun museum houden.
Daarmee is de kans dat ze dezelfde fout maakt die de sfinx uit Los Angeles noodlottig werd, sterk verkleind. Alle voortekenen zijn ditmaal goed: Beatrix Ruf gaat het Stedelijk op de Kaart zetten! Daarbij zal het zeker helpen dat zij – het wordt in geen enkel stukje over haar weggelaten – behoort tot de zeven invloedrijkste mensen in de kunstwereld. Niemand weet wat dit inhoudt of hoe het gemeten wordt, maar het kan zeker geen kwaad. Er is niemand in Nederland die tot de zeven invloedrijkste mensen ter wereld op welk terrein dan ook behoort, dus heeft Beatrix iets waar wij alleen maar jaloers op kunnen zijn. Wat wel in ons voordeel spreekt is dat wij haar hebben kunnen strikken voor het Stedelijk. Waarom immers zou iemand uit de top zeven van invloedrijkste mensen niet bij een van de zeven invloedrijkste instellingen ter wereld willen werken? We begrijpen niet hoe het kan en het is bijna te mooi om waar te zijn, maar het is een gegeven: Beatrix Ruf werkt nu in ons geliefde Stedelijk Museum en daarmee knijpen wij ons in de handen. Wij zijn vastbesloten snel van haar te gaan houden.
De NRC-redactie helpt ons daarbij door Beatrix Ruf als gastredacteur een editie van NRC deLUXE te laten samenstellen. Zo leren wij haar beter kennen, is de gedachte. Door haar te vragen naar de kunstenaars van haar voorkeur, het design van haar smaak en de kennissen uit haar contactenlijst, zal een van de zeven invloedrijkste mensen uit de kunstwereld misschien ook een beetje invloed uitoefenen op ons, de lezer en museumbezoeker.
Werkt het? Jazeker, al is het op een nogal onderhuidse manier.
Sterinterviewer Jannetje Koelewijn is op Ruf afgestuurd om haar te ondervragen ‘over wonen in een hotel, carnaval en opwindende kunst’. Over wat? Ja, het is niet anders. Het gesprek gaat voor een groot deel over het Hilton Hotel waar Ruf een kamer heeft betrokken omdat ze ‘nog geen geschikt huis heeft gevonden.’ Welaan. Interessant. Ik heb nooit van een museumdirecteur geweten, noch willen weten, waar hij of zij ‘een geschikt huis’ had gevonden. Ik vind het niet zo relevant eigenlijk. Jannetje wel. Die zet Ruf ook neer als ‘een Duits provinciemeisje’. Is dat niet kleinerend? Voor Ruf niet, die eigenlijk niet zoveel op heeft met al dat neuzen in haar verleden, haar ontwikkeling, haar opvattingen en haar invloed. Invloed doet zich het beste gelden buiten het oog van de camera’s. Maar omdat Ruf geen tweede Goldstein wil worden, doet ze steeds weer krampachtig haar best om ongeveer niets prijs te geven van wat haar bezig hield en houdt. Ze weet meesterlijk aan de oppervlakte te blijven. Om de interviewer te paaien geeft ze in elk gesprek iets weg, een kleinigheid uit haar verleden die dankbaar wordt aanvaard en netjes de aandacht afleidt van serieuze zaken. Het Stedelijk Museum bijvoorbeeld. Aan Jannetje Koelewijn wil ze wel kwijt dat ze zeer is beïnvloed door het carnaval in haar geboorteplaats Singen. ‘Zo’n traditie is niet voor niets ontstaan.’ Noem het een opvatting, noem het wijsheid.
‘She has the eye.’ Dat zegt men over haar. Wil ze ons niet uitleggen hoe dat werkt? Jawel hoor. ‘Ik ben nieuwsgierig.’ Alweer met dankbaarheid genoteerd.
Over kunst gaat het ook, dat wil zeggen: over kunstenaars, dat wil zeggen: over sommige kunstenaars, namelijk de kunstenaars met wie zij werkt. Nu beginnen wij iets te begrijpen. Zij is niet verbonden met het instituut museum, zij is een productie-bureau van een aantal kunstenaars. Over die personen wil ze niet veel meer zeggen dan dat ze hen al ongelooflijk lang kent en dat ze ongelooflijk goed zijn. Dat hadden we wel verwacht.

Hoe ziet zij of een kunstwerk ‘iets is’?
Ze geeft een voorbeeld: Ed Atkins. ‘Zo opwindend. Zo niet consumeerbaar. Het zette me aan het denken en als iets me aan het denken zet…’
Ja?
Dat was het.
We kunnen de diepgang van haar kunstliefde ook afleiden uit de kunstenaars die ze vroeg iets voor deze NRC Deluxe te doen. Bijvoorbeeld Karl Holmqvist, die met een viltstift haar naam heeft geschreven (let op de verkeerde afbreking): BEAT RIX. ‘Wie de letters ziet, associeert Beatrix Ruf in een klap met ‘beat’. Een vrouw als een paukenslag.’ Aldus de redactie van de NRC.
‘We’ hebben met Beatrix Ruf een geweldig marketinginstrument binnengehaald. Een provinciemeisje dat Goethe heeft gelezen, een vrouw om collectief van onder invloed te raken. En het werkt. De eens zo kritische kwaliteitskrant NRC ziet er wel brood in. En Ruf zelf ook, vermoed ik. Ik heb me lang afgevraagd waarvan ik haar stralende gezicht kende en ik begrijp nu waarom ik het niet eerder durfde te denken. Zij is (of was) Cora. Cora! Van Mora! Onderschat haar niet. Dit provinciemeisje, ooit een van zeven meest invloedrijke personen in Nederland, heeft kort geleden aangekondigd iets anders te willen gaan doen. Het werd Amsterdam, iets opwindends in een museum. En als we haar aan het denken kunnen zetten zit er nog veel groei in.

CORA
CORA

Is dit een mens?

Juan Munoz
Juan Munoz

In Zwolle zag ik ‘mensbeelden in globaal perspectief’. De tentoonstelling met deze lelijke ondertitel heet officieel In Search of Meaning en slingert zich door de ruimtes van Museum De Fundatie.
Wat is een mensbeeld? Volgens Van Dale ‘een voorstelling van de mens als zodanig’. Wat is de mens als zodanig? De mens als mens? Elk antwoord lokt een nieuwe vraag uit.
Het waren niet de beelden die ik zag die me filosofisch stemden. Ik vond eigenlijk de tentoonstelling als geheel een gedateerde indruk maken en weinig zeggen over wat het is om mens te zijn. Er zijn verdraaide, vervormde en gemutileerde lichaam-achtige sculpturen, er zijn poppen als enorme karikaturen en uiteindelijk trof ik er slechts twee mensen aan: portretten van de beeldhouwer Stephan Balkenhol en een vrouw, die elk uit een verticaal in tweeën gezaagde boomstam zijn gehouwen en nu vanaf hun eigen helft, over de kloof heen, elkaar niet ziende aankijken. Daar valt het woord portret omdat er iets individueels naar voren komt. De beelden stellen personen voor met gezichtstrekken, een houding, iets wat je naar een betekenis kan leiden. Ze zijn ook gemaakt door een individu, een bezielende geest en een gevoelige hand.
Daar vallen de woorden ziel en gevoel. Zijn het begrippen die niet meer passen in deze tijd? ‘Het optimistische vooruitgangsgeloof van het modernisme maakt plaats voor postmoderne twijfel en postseculiere spiritualiteit en Godsverlangen en dat zie je terug in de kunst’, zegt het vouwblad. Dat is wel de meest bondige samenvatting van honderd jaar moderne kunst die ik ooit las. Zijn de samenstellers van de expositie wel op de hoogte van wat de twintigste eeuw ons bracht en hoe we dat terugzien in de kunst? Kennen ze de ‘mensbeelden’ van Käthe Kollwitz, Wilhelm Lehmbruck, Auguste Rodin, Alberto Giacometti, Ossip Zadkine of Willem de Kooning? Is dat allemaal optimistisch vooruitgangsgeloof? Je kunt je beter afvragen wat een hedendaagse kunstenaar nog toe te voegen heeft aan hun aan twijfel, melancholie, spiritualiteit en Godsverlangen.
De kern van het probleem schuilt in de betekenisverandering van het woord ‘beeld’. Ooit stond het voor een tastbare, door een scheppende geest tot stand gebrachte presentie. Een kunstwerk waarvan zoveel kracht uit kon gaan dat je er bang van kon worden en om die reden in een aantal godsdiensten aanbeden, in andere verboden. Dat beladen begrip is nu afgevlakt tot ‘visueel plaatje’, iets wat je op internet onder ‘images’ kunt aantreffen. Het is bijna synoniem met afbeelding, kopie, en in die betekenis zien we het in Zwolle door veel kunstenaars toegepast. Hun uitgangspunt is bijna steeds een afgietsel of een pop. Het gaat niet om de vraag of je de verbeelding aan het werk kunt zetten met een lappenpop of een wasafgietsel. Elk kind bewijst dat dat kan. Maar de kunstenaars van nu lijken zich niet bewust van een discussie die al in de negentiende eeuw speelde, toen de behoefte van beeldhouwers aan steeds realistischer afbeeldingen van de menselijke figuur hen ook over de grens dreef van het tot in perfectie namaken van lichamen. Madame Tussaud is er beroemd mee geworden, maar het werd al snel duidelijk dat deze wassen beelden niet meer tot de kunst gerekend konden worden. In het streven naar zoveel letterlijkheid van het beeld moest de figuurlijkheid, de verbeelding, het afleggen.
Die tendens beheerst ook de huidige beeldenmakerij. Het mensbeeld wordt teruggebracht tot het beeld van een lichaam, de verwijzingen naar emoties, erotiek, verval en dood tot een biologisch proces of een politiek gemanipuleerd mechanisme. Op zijn best levert dat een theaterstuk zonder tekst op zoals bij Juan Munoz of Yinka Shonibare. (Over theater gesproken: Hans den Hartog Jager bespreekt in de NRC een expositie van Berlinde de Bruyckere, ook present in Zwolle, waarin hij haar werk relateert aan dat van Francis Bacon, ‘maar dan wel in een theatrale variant’. Hoe krijgen we HaDeHaJe ooit zover dat hij zijn ogen gaat gebruiken? Elk schilderij van Bacon is theater, een rond podium, een boksarena, de ring van het circus. Het was Bacon die de poppenkast van de illusionistische voorstelling aan het licht heeft gebracht door zijn steeds identieke, aan het toneel ontleende enscenering.)
Het is juist de mens die ontbreekt in deze kunst. De tentoonstelling in Zwolle presenteert een tijdsbeeld van onmacht, herhaling en kinderlijke verbeelding. Laten we dit beeld op ons netvlies houden als voorbeeld van het zwelgen in doorgeschoten morbide realisme en op zoek gaan naar wat een mens mens maakt, met zijn twijfel, zijn verlangen en vooruit, als het niet tegen te houden is, een vleugje optimisme.

Expositie In Search of Meaning. Mensbeelden in globaal perspectief, Museum De Fundatie Zwolle.

 

een balkonscène

Vilhelm Hammershoj, De balkonkamer
Vilhelm Hammershøj, De kamer met balkon in Spurveskjul, 1911

Ocharme. Dat woord schoot me te binnen toen ik De balkonkamer voor het eerst zag, de nog verse aankoop door Boijmans-Van Beuningen van de Deense schilder Vilhelm Hammershøi. Wat is ze nog klein en kwetsbaar. Er staat zo weinig op, een wand, een raam, een deur die dicht is en een die openstaat, alles in tere grijstinten, tastend op het doek gezet. Ja, een intieme studie in atmosfeer, een klein meesterwerk, een terechte aanwinst.
Maar wat een zware last krijgt het te dragen! ‘Het museum verrijkt zijn collectie met deze eerste Hammershøi in Nederland op een buitengewoon zinvolle manier’, zegt het persbericht. Sjarel Ex gaat in zijn commentaar nog een stapje verder: het werk heeft het in zich een sleutelstuk in de collectie te worden. Het laat zich verbinden met de zeventiende-eeuwse interieurschilders Pieter de Hooch, Metsu en Saenredam, met de negentiende-eeuwse landschapschilders Cornelis Troostwijk en Camille Corot, met Odilon Redon, Morandi, Jan Schoonhoven en ga zo maar door.
Ocharme. Het is maar een schilderijtje. Een studie.
Het is goed dat een museum zijn aankopen weet te verantwoorden. Zomaar kopen wat er te koop is, dat levert een allegaartje op van voorkeuren en stijlen. Oog voor thematische en esthetische samenhang in een verzameling is een proeve van smaak. Dat Boijmans daar nu zo de nadruk op legt is op zichzelf al bijzonder, na enkele decennia waarin de postmodernistische afkeer van hiërarchie en een samenhangende visie op de geschiedenis het pleit gewonnen leek te hebben. De aankoop van een Hammershøi, nee, van deze Hammershøi, is zinvol, sterker nog, buitengewoon zinvol. Heel goed. Geld goed besteed, schilderij verzekerd van een plekje op zaal.
Maar daarmee stelt Ex zich niet tevreden. Hij wil het stille werkje niet zwijgzaam zijn werk laten doen tussen de andere meesterwerken, waar het museum er behoorlijk wat van heeft. Nee, hij wil de zinvolheid aangetoond zien in een presentatie met het balkonkamertje als middelpunt. Twee zalen heeft hij ervoor vrijgemaakt. Daar wordt het bedolven onder een stortvloed van collectiestukken uit pakweg vier eeuwen. Inderdaad, Redon. Morandi. Schoonhoven. Corot. En Gerhard Richter (een schilderij in zwartwit van een stoel dat nu opeens heel erg tegenvalt). Saenredam. Een tafel met stoelen van Penaat met een schaakspel erop. Een juweeltje van Vuillard. Een installatie van George Segal, vernuftig ingepast in een deuropening. Een nog veel grotere installatie van Oscar Tuazon van een open deur – de naam verraadt wat mij betreft de diepgang.
Ocharme. Ik weet niet of het interieurtje deze last kan dragen. En dan hebben ze zich kunnen bedwingen de gele kamer van Van Dongen erbij te hangen, of de Compositie met kleurvlakjes van Piet Mondriaan, of de Man in blauw van Francis Bacon. Allemaal bijzonder zinvolle associaties.
De kwestie is volgens mij dat iedereen zulke verbanden construeert in zijn hoofd en dat het museum ze in collectiepresentaties en publicaties een beetje kan sturen, maar dat het leveren van overdonderend bewijs teveel van het goede is.
Toen ik aansluitend door de tentoonstelling LaLaLa Human Steps liep, met een honderdtal werken uit de museumcollectie ‘die getuigen van het menselijk tekort’, realiseerde ik me dat het museum deze vorm van zinloos educatief geweld tot zijn handelsmerk heeft gemaakt. Opnieuw een tentoonstelling waarin alles met alles te maken heeft, maar nu veel groter, luider, flitsender. Ik was de overtreffende trap van overdonderd. Even dacht ik dat Sjarel Ex per ongeluk zijn afscheidstentoonstelling had georganiseerd, een schitterende afscheidssymphonie. Maar die wil vast de opening van zijn nieuwe collectiegebouw nog meemaken. Nee, het is een stijl. Een opvatting. Een manier om de bezoeker dood te slaan.
Een collectie is geen legpuzzel en een kunstwerk is geen sluitstuk. Give me some air.

gewoon niet genoeg schoonheid

Johan Buning
Johan Buning

Een paar weken geleden zag ik in Museum Henriëtte Polak in Zutphen de tentoonstelling Johan Buning: de schoonheid van het gewone. De naam van Buning (1893-1963) en zijn vrouw Titia Brongers (overleden in 1961) is verbonden aan de Buning-Brongers Prijs voor de schilderkunst. Het museum toont nu gelijktijdig een keuze van voormalige prijswinnaars, wat een heel goede doorsnede oplevert van wat er in de afgelopen decennia aan talent is opgestaan.
Maar het gaat mij nu om Johan Buning. Het persbericht stelt al dat hij, met zijn werk, na zijn dood snel in de vergetelheid is geraakt. De huidige expositie en de monografie die erbij is verschenen hebben vanzelfsprekend tot doel daarin verandering te brengen. Ik voorspel dat dat niet gaat lukken. Daarvoor bezitten de schilerijen van autodidact Buning eenvoudig te weinig kwaliteit. De tentoonstelling is zeer pover en je vraagt je af wat eertijds kennelijk aan Bunings faam in kringen van kunstenaars en verzamelaars heeft bijgedragen.
In de expositie wordt ook aandacht besteed aan Titia Brongers met wie Buning naar men zegt lange tijd gelukkig getrouwd is geweest. Zij was misschien zijn muze, in elk geval was ze mooi en aantrekkelijk. Dat leid ik af uit de vele portretten die van haar zijn gemaakt, ook door anderen dan haar echtgenoot. Het eigenaardige feit doet zich voor dat zij, die zelf ook aquarelleerde, hier als het bewonderde middelpunt van een artistieke vriendenkring wordt neergezet, en dat terwijl haar landschappen mooier en beter gedaan zijn dan die van Johan Buning. Maar zij was nu eenmaal niet de kunstenaar in huis.
Ik begrijp heel goed dat men de naamgever van de niet onbelangrijke Buning-Brongersprijzen in ere wil houden. Moet je daarbij veinzen dat je de tekortkomingen in zijn werk niet ziet en er met de titel ‘De schoonheid van het gewone’ een alibi voor zoeken? De schoonheid van het gewone zien we ook bij Cézanne, Van Gogh en Picasso, maar zij toverden de gewoonheid om tot bijzonderheid – tot kunst. Het museum moet niet blijven hangen in de bewondering die de kunstenaar lang gelden, bij leven, heeft ondervonden. De levende kunstenaar wordt dikwijls meer geacht om zijn persoonlijkheid dan zijn werk. Laat de tijd zijn werk doen en laat blijken dat de inzichten van nu anders zijn. Houd het klein en geef ere aan wie ere toekomt.

 

ga eerst naar jorn, dan naar rothko

Asger Jorn, collage, 1964
Asger Jorn, collage, 1964

Het is natuurlijk toeval dat nu twee groten uit de twintigste-eeuwse schilderkunst gelijktijdig exposeren in de Nederlandse musea, maar we kunnen van dat toeval profiteren door hun werk en aantrekkingskracht te vergelijken. Mark Rothko (1903-1970) en Asger Jorn (1914-1973) waren tijdgenoten. Hun geboorteplaatsen in Dvinsk (tegenwoordig Letland) en Vejrum (Denemarken) lagen niet heel ver uiteen. Maar Rothko zou gaan wonen en werken in de Verenigde Staten en Jorn in Frankrijk, Italië, eigenlijk op tal van plaatsen buiten zijn vaderland.
In termen van populariteit op dit moment is er geen vergelijking. De aanbidders van Rothko staan in lange rijen voor het Haags Gemeentemuseum, terwijl de liefhebbers van Jorn direct door kunnen lopen aan de kassa van het Cobra Museum in Amstelveen. De Rothko-expositie is misschien veelomvattender, maar de kwaliteit van Jorns werk in de tentoonstelling Traces is hoog en verrassend. De Rothko-manie die ons land heeft bevangen is misschien te verklaren uit een aantal oorzaken. Dit werk reist niet vaak door Europa, al was er een jaar of zes geleden een overzichtsexpositie in Londen en Hamburg. Dat het in Nederland te zien is, is zeker een buitenkans.
Daarnaast heeft wat ooit een nadeel was voor dit type schilderkunst, dat het abstract en dus onbegrijpelijk was, zich getransformeerd in een voordeel: nonfiguratieve kunst geldt nu voor velen als universeler en mystieker dan kunst met een herkenbare voorstelling. Als kwaliteitscriterium is het totaal onzinnig, maar we moeten nu eenmaal ergens heen met onze religieuze neigingen in een seculiere wereld. In dat kader hebben we tenslotte Mondriaan in de armen gesloten en het is precies zijn aanwezigheid in het Haags Gemeentemuseum die nu de brug slaat naar het werk van Rothko, wiens nalatenschap voor het overgrote deel is geschonken aan de National Gallery in Washington. De beide musea zijn een langdurige samenwerking aangegaan, op zichzelf al een heuglijk feit.
Ik bespeurde in Rothko’s vroege werk al steeds de parallelle ontwikkeling met Mondriaan en de zaal waarin hun schilderijen naast elkaar hangen is de bevestiging en tegelijk de openbaring van de tentoonstelling. Het Gemeentemuseum verdient daarnaast ook complimenten voor de inrichting doordat het de schilderijen dichterbij heeft gebracht dan ik ooit eerder heb ervaren. Ondanks de soms te spaarzame verlichting kan de bezoeker elke penseelstreek, elk verschil tussen glans en matheid in het oppervlak, van nabij waarnemen. En daar, in het detail van de penseelstreek, speelt het drama zich af. Niet in de compositievlakken, die schematisch en dikwijls voorspelbaar zijn. Daar gaat het niet om. In de kleurintensiteit en de zones waar verschillende tinten elkaar raken zie je niet wat vooraf is vastgelegd, maar hoe de verf leeft, opvlamt, flakkert en smeult. Een Rothko is niet een samenstel van kleurvlakken maar levende materie, helemaal op de tast tot stand gebracht. Opeens viel me nu ook de eerlijkheid van deze manier van schilderen op, omdat het niets anders voorstelt dan verf met een dikwijls breed penseel op doek aangebracht. Er is geen beeldtaal, geen metafoor, er is alleen verf en handschrift.
Is Rothko daarmee een groter schilder dan Jorn? Nee. Ze zijn onvergelijkbaar en een objectieve plaatsbepaling van de een ten opzichte van de ander is onmogelijk. In mijn waardering staan ze minstens op gelijke hoogte. Het oeuvre van Jorn is beweeglijker, verrassender, meer wisselend in kwaliteit misschien maar dat komt dan zeker ook doordat Jorn grotere risico’s aanging. In alle werken van Jorn zit iets goeds en in zijn beste werken – die niet zeldzaam zijn – bespeur je een buitengewoon beeldend talent. Het geldt voor alle periodes die je kunt onderscheiden met uitzondering van de vroege Picasso-studies, en het geldt voor alle technieken waarin hij werkte. Jorn was een fantastische schilder met een volmaakte intuïtie voor kleur en compositie, maar ook zijn collages, houtdrukken, etsen, tekeningen, litho’s en keramiek getuigen allemaal van een bijzonder materiaalgevoel. In het Cobra Museum zijn vazen, borden en schilderijen van andere Cobra-schilders te zien en het kwaliteitsverschil is direct duidelijk.
Asger Jorn is voor het Nederlandse publiek geen onbekende en Edy de Wilde heeft topstukken aangekocht voor het Van Abbemuseum en het Stedelijk, maar we beseffen nog onvoldoende hoe goed zijn werk is en hoe fris en uitdagend de persoonlijkheid die eruit spreekt. Ik raad iedereen aan eerst de rust op te zoeken in Amstelveen, het kan nog tot en met 18 januari. Daarna, tot en met 1 maart, is het in Den Haag misschien ook minder druk bij Rothko.